Daar-zijn en existeren

Ludo Abicht

Daar-zijn en existeren / Mijn plaats - Ma place 2001

De jongeren, waarvan sprake in het boek hebben de plaats, waar ze geboren zijn of opgroeien, niet zelf gekozen. Maar ze zijn daar, met hun ouders en verwanten die in dit geval uit een ander land komen. In het land van hun ouders zouden ze tot de meerderheid behoren waar iedereen Berbers, Arabisch of Turks spreekt en waar de godsdienst, de gebruiken en gewoonten van hun ouders de regel zijn. Tegelijkertijd echter beseffen ze ook dat ze daar, ondanks hun naam, hun afkomst en hun kennis van de traditionele cultuur ook niet helemaal op hun plaats zouden zijn.

Deze jongeren werden uitgenodigd om foto’s te maken over hun eigen omgeving en na te denken over begrippen als ‘plaats’, ‘geheugen’ en ‘de toekomst’, in elk geval iets anders dan waar ze gewoonlijk met hun vrienden over praten.

Daar-zijn

Gewoonlijk zeg je ‘hallo, ik ben er’. In een normaal gesprek is dit voor iedereen duidelijk, maar als iemand nu eens ernstig zou vragen, wié je dan wel bent en wààr, wordt het iets ingewikkelder. Die vraag naar het ‘ik’, dat wil zeggen naar je identiteit, de manier waarop je jezelf meent te kennen en de wellicht totaal verschillende manier waarop anderen je zien, is zo ongeveer het moeilijkste probleem van de filosofie. Hierop wil ik thans niet verder ingaan. ‘Ik ben er’ betekent dan gewoon: ‘ik ben hier, op deze plaats’. Voor we echter op dit begrip ‘plaats’ ingaan, zetten we een stap terug. Dan betekent ‘ik ben er’ zoiets als ‘ik besta’. Op een bepaalde leeftijd ontdekken wij dat wij er zijn, op de wereld en dat die wereld met ons rekening zou moeten houden. Want wie bestaat wil leven. Reeds als klein kind beseffen wij dat wij niet zonder meer overleven en dat wij weinig of niets zullen verkrijgen als wij niet luid genoeg protesteren en als wij de mensen uit onze omgeving er niet toe kunnen bewegen voor ons te zorgen. Meestal komt die zorg vanzelf en hoeven wij ons daarover weinig vragen te stellen. Maar toch zijn er in onze kindertijd ook momenten dat wij gevoeld hebben dat ons daar-zijn, ons bestaan niet zonder problemen is. Ook wij hebben ons recht om er te zijn langzamerhand en niet altijd zonder conflicten moeten veroveren. En we weten dat er altijd mensen zullen zijn die dit recht zullen proberen te ontkennen en die vanuit een wantrouwende of racistische ingesteldheid een vijandige houding aannemen tegenover iedereen die ‘vreemd’ is aan het eigen bekende vastgeroeste wereldje. Dat ‘vreemd’ zijn kan liggen aan de huidskleur, maar ook aan de taal, de cultuur, de ‘stam’, de seksuele voorkeur, de religie. Alleen al het feit dat iemand zonder complexen kan zeggen ‘hallo, ik ben er’ is een grote overwinning voor die mens als individu en voor de maatschappij die zijn of haar bestaan inderdaad aanvaard heeft.

En ‘waar’ ben je dan? Dat is duidelijk: op die of die plaats, op die straathoek, op dat plein, in dit huis. Er zijn echter huizen waar men zich thuis voelt en andere, waar men nooit helemaal ‘op zijn plaats’ is. Hoe komt dat? Een beroemd modern architect, Le Corbusier, heeft ooit gezegd dat een huis een machine is om in te wonen (une machine à habiter), maar klopt dat ook? Je kan een huis technisch perfect inrichten, zoals je soms luxueuze huizen ziet op TV of in tijdschriften. En toch ben je niet zeker dat zo’n perfecte en meestal dure inrichting nodig is om een ‘thuis’ te maken. Er is dus een verschil tussen een huis en jouw huis, een plaats en jouw plaats. In de interviews met de jongeren werd dit onderscheid nadrukkelijk gemaakt: een plaats is pas echt hun plaats, de buurt waar zij zich thuis voelen wanneer zij er lang genoeg gewoond hebben om de indruk te krijgen dat zij er iedereen kennen én dat iedereen hen kent. De blik van de ander, die bij Sartre vaak zo bedreigend en vernietigend overkomt, biedt deze jongeren juist de zekerheid die ze nodig hebben om zich veilig en vrij te voelen, goed in hun vel en op de juiste plaats. En meteen zitten we midden in het klassieke dilemma van de groepsidentiteit: die vertrouwde gezichten van de andere buurtbewoners beschermen je weliswaar, maar maken het blijkbaar ook heel moeilijk om nieuwkomers (groene koppen, vierkante koppen) echt te aanvaarden of, omgekeerd, om je buiten die vertrouwde omgeving te wagen.

Er is blijkbaar veel meer nodig dan een materiële plaats om zich thuis te voelen. Men heeft, zoals de jongeren zeggen, gezichten nodig en vriendschap en zelfs herinneringen aan mensen, straten en gebouwen die ooit voor hen de plaats gevuld hebben, zelfs al bestaan ze nu nog slechts in hun hoofd. Voor de meesten van hun ouders trouwens zijn dat plaatsen in het land van herkomst die de jongeren wanneer ze er tijdens de vakantie naartoe gaan, weinig of niets ‘zeggen’. Die jongeren vergeten echter, dat zij met hun buurt van Brussel, hoe armzalig en verwaarloosd die er ook bijligt, net hetzelfde aan het doen zijn: ook hier zullen de materiële realiteit en de ver-beelding door de herinnering onvermijdelijk over elkaar geschoven worden. De jongeren en hun ouders leven op twee verschillende plaatsen, ze zijn in twee verschillende werelden op hun plaats. Misschien zou het besef van dit verschil tot een beter wederzijds begrip tussen deze generaties kunnen bijdragen. Over communicatie gesproken: het zou bijzonder boeiend en leerrijk zijn gelijkaardige gesprekken te voeren met autochtone jongeren uit heel andere, in vergelijking geprivilegieerde buurten, om te ontdekken of ook zij op die manier over de buurt denken waarin ze zijn opgegroeid. Immers jongeren die begrijpen wat voor hen een ‘plaats’ betekent en bereid zijn, daarover openlijk te praten, kunnen wellicht beter inschatten, hoe anderen dit begrip voor zichzelf invullen. Anders gezegd: wellicht moeten we eerst leren ‘daar te zijn’ voor we er aan kunnen denken te beginnen te existeren, ons echt te ontplooien.

Existeren

In het boek zijn twee soorten gesprekken opgenomen. In ‘Centrum West’ in Molenbeek worden twee jongeren individueel voorgesteld en aangesproken. In ‘De Fabriek’ in Schaarbeek gaat het om een groepsgesprek zonder duidelijke individuele gezichten, je kan slechts raden wie er wat zegt. Een groep, hoe beperkt ook, neigt er toe, zich als groep te gedragen. Vandaar wellicht de bijna defensieve manier waarop ze hun plaats (buurt) verdedigen en weinig belangstelling vertonen voor wat er zich buiten die buurt afspeelt. Je voelt, achter alle branie, ook een zekere drempelvrees tegenover de wereld daarbuiten. Hier kunnen ze zich, binnen de sociale en mentale grenzen van de vertrouwde buurt, waarmaken, maar hoe staat het in de grotendeels onbekende grote buitenwereld? De leden van een groep laten zich ook meer beïnvloeden door elkaar dan door de buitenstaander; dat blijkt onder meer uit de passages waar ze elkaar plagen of onderbreken en nog meer wanneer ze samen lachen. Welk individu gaat hiertegen ingaan en zich buiten de groep stellen? De conformismetheorie van Heidegger over de niet-reflectieve levenshouding die hij de weg van ‘het men’ (das Man) noemde, is ook hier toepasselijk. De jongeren weten heel goed, wat ‘men’ (hun vrienden en kennissen, de buurt) van hen verwacht en wat daarbuiten valt en in dit gesprek althans zijn ze blijkbaar bereid, zich naar deze verwachtingen te gedragen. In een postmoderniteit waarin we alle begrip opbrengen voor het anders-zijn van de andere (Kristeva) en de diversiteit kunnen we daar weinig tegen inbrengen, al heb ik als individu het volste recht, deze beslotenheid te betreuren. Indien alle allochtone jongeren, hoe spontaan en sympathiek ook, zo zouden zijn, kan men in feite geen ethisch oordeel vellen tegen vrijwillige gettovorming, ook al weet men wat daar de gevolgen van kunnen zijn.

De twee geïnterviewden uit Molenbeek hebben het blijkbaar moeilijker met hun ‘daar-zijn’, want allebei dromen ze ervan, hun leven anders te laten verlopen. Bij Khalid is dat duidelijk een vlucht uit de onaanvaardbare realiteit, een keuze voor de ‘vrijheid van’ de onveiligheid, het vuil en de uitzichtloosheid van zijn huidige bestaan, ook al aanvaardt hij nog steeds het gezag van ‘God en zijn ouders’ als de begrenzing van deze vrijheid. De andere, Mohammed, is bewust op zoek naar een ander bestaan, dat van ‘de vrijheid tot’, een leven dat resoluut buiten de buurt ligt en waarin hij alle kansen die hij gekregen heeft zal gebruiken om bewust te gaan leven, met andere woorden te existeren. Hij is verre van naïef en weet dus, dat het niet vanzelf zal gaan, maar hij neemt het recht te dromen van een heel ander bestaan in een wereld waarin hij op basis van zijn eigen bekwaamheid en verdienste zijn eigen plaats zal veroveren. Bij Khalid had de beschermende warmte van de buurt (zie het gesprek met de jongeren van ‘De Fabriek’) plaatsgemaakt voor een erg kritische houding: hier wil hij niet eeuwig blijven leven, de buurt is, net als het speelplein, niets anders dan een reusachtige kooi, ‘stuk, stom en vuil’. De Islamschool trekt niet langer aan, er lopen hier te veel criminele types rond, afijn, hij wil hier weg. Mohammed is al in een andere fase, want hij heeft ingezien, dat zijn existentie niet noodzakelijk door zijn daar-zijn moet bepaald blijven.

Waarmee we, binnen de ruimte van één groepsgesprek en twee interviews, met drie duidelijk verschillende antwoorden op een toch vergelijkbare socio-culturele basistoestand geconfronteerd worden. Ik vermoed dat we via interviews met autochtone jongeren, mutatis mutandis gelijkaardige resultaten zouden bekomen hebben. Zouden we dan uiteindelijk toch meer op elkaar gelijken dan ons gezegd wordt of we zelf soms denken?

Antwerpen juli 2001

Ludo Abicht