De melancholie van wat geweest is

Ger Groot

De melancholie van wat geweest is / Home 2008

Bijna altijd zijn op foto’s – wanneer zij een menselijke gestalte vertonen – voornamelijk jongeren te zien. De jeugd is het onderwerp van het beeld – misschien omdat zij mooier is. Zij leent zich ervoor gezien te worden en ze toont zich graag. Naarmate de leeftijd vordert, wordt het fotogenie schuwer en gaat de camera meer aarzelen. Het gretigst toont ze zich bij de allerjongsten, vooral wanneer ze zich wendt tot het bewegende beeld. Het allergrootste deel van de home-video’s wordt gemaakt van baby’s en zeer jonge kinderen. Van oude mensen maakt zij alleen nog foto’s wanneer de dood nadert, als voorbereiding op het moment waarop ze definitief door hun beeltenis moeten worden vervangen. Dan verschijnen de portretten van vaders, moeders, opa’s en oma’s weer in de huiskamers, in zilveren lijstjes (nog van hen geërfd) of tussen het bric-à-brac van de hebbedingetjes. De herinnering aan hen wordt decoratie.
    De oude dag is niet de leeftijd van de foto, of ze moest die van het herinneringsbeeld zijn. Zelf niet graag door de camera betrapt, verwijlt menige bejaarde graag bij de snapshots van wat hij al dreigt te vergeten: het beeld van de kleinkinderen, het beeld van de eigen jeugd, het beeld van het vervulde leven, toen dat nog met leven vol zat. Zo lijkt het ene levensuiteinde te parasiteren op het andere. Het voedt zich aan de mogelijkheden daarvan, op een moment waarop alle mogelijkheden vrijwel uitgeput lijken, teruggebracht tot de sleur van de gang ‘vanaf het bed naar ’t raam/van het bed naar de fauteuil en van het bed naar bed’, zoals Jacques Brel ooit zong, hier in de prachtige vertaling van Ernst van Altena.

     Wanneer begint de ouderdom? Het moment ervan lijkt steeds later èn steeds vroeger te komen. Met een in de afgelopen eeuw dramatisch gestegen levensverwachting en een steeds succesvoller geriatrie, begint men vandaag de dag pas rond zijn vijfenzeventigste voorzichtig aan het woord ‘bejaard’ te denken. Rond de tachtigste mag dat gaandeweg worden gebruikt. Al decennia lang is de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar – mét het wegdeemsteren van de lichamelijke arbeid – losgezongen van het fysieke arbeidsongeschiktheidsmoment. Een generationele limbus is ontstaan, waarin zich een nieuw soort ouderen is gaan ontplooien. De gang ‘van het bed naar bed’ werd een gang van vliegtuig naar camper, van touringcar naar cruiseschip, want deze nieuwe ouderen reizen graag – en veel van hen kunnen het zich financieel veroorloven. 
Deze ‘krasse knarren’, zoals van Kooten en de Bie hen doopten, beleven in hun nieuwsgierigheid een tweede kindertijd: vol ontdekkingen, nieuw enthousiasme en soms nieuwe dwaasheden. Zij hebben de foto’s van hun kleinkinderen niet nodig om zich hen te herinneren, of de kiekjes van hun vroegere vacanties om zich weer even ‘uit’ te voelen. Zij maken ze zelf, met de digitale camera’s waarmee ze hebben leren omgaan, of met de hardeschijf-video voor de bewegende beelden. Ze chatten, installeren een webcam en soms zelfs een iPod. Ze doen, in grote lijnen, precies wat hun kleinkinderen doen – alleen zelfstandiger en soms wel, soms niet, wijzer geworden.
Is dat ouderdom? Voor de overheden en wettenmakers wel. In de afgelopen twintig jaar is de pensioengerechtigde leeftijd – al dan niet onder andere benamingen – zelfs drastisch verlaagd. Het Nederlandse Hoger Onderwijs voor Ouderen schrijft tweede-kansstudenten al in vanaf hun vijftigste. Boven die leeftijd is ook de arbeidsmarkt onbarmhartig: men hoort er niet meer thuis. Zo nijpend werd het probleem dat er het woord ‘leeftijdsdiscriminatie’ voor werd uitgevonden, zonder dat dat overigens iets oploste. De krasse oudere ziet zich gewrongen in een keurslijf waarop hij lichamelijk noch mentaal is ingesteld, als een transsexueel in een verkeerd lichaam. 
Zo is de ouderdom in achterwaartse richting opgerekt, zoals de jeugd dat in voorwaartse richting is. Een ‘jongere’ is men in de loop van de twintigste eeuw steeds langer gebleven, totdat die levensfase – door van Kooten en de Bie op haar beurt omgedoopt tot die van de ‘oudere jongeren’ - het grootste deel van de volwassenheid is gaan opslokken. Van beide zijden is die laatste fase – ooit beschouwd als de bloeiperiode van het leven – samengedrukt en versmald. In diskrediet geraakt, is ze tussen de twee levensextremen in tenslotte vrijwel geheel geëclipseerd, zodat de jeugd nu vrijwel direct lijkt over te gaan in de ouderdom en de rijpe volwassenheid beide niet langer als maatgevend beschijnt. 
    Dat heeft voor de identiteit van de overblijvende ages of man een verwarrend effect gehad. Jeugd en ouderdom zijn onwillekeurig in zichzelf gespleten geraakt toen zij – als in een soort generationeel von Molotov-Ribbentroppact - de tussenliggende levensfase onderling hebben verdeeld. De volwassenheid kon niet langer zichzelf blijven toen het voor een deel (tot haar eigen vreugde) werd toegeschreven aan de jeudigheid die de volle levensverantwoording nog even voor zich uit kon schuiven, en voor een deel (tot haar ontzetting) aan de ouderdom die deze verantwoording grotendeels als vervuld mocht beschouwen. 
In de verdamping van deze zwaarte van wat ooit het levensmidden was geweest, verloren ook de uiteinden daarvan hun oriëntatie, die daarvan een afsplitsing was. De jeugd die vooruitkeek in voorbereiding op de levensernst leerde zich te bewegen in een cultuur van een eindeloos voortgezet spel. En de ouderdom die in het leveren van zowel verstandig als relativerend commentaar bij deze dringende ernst voorheen haar eigen vervulling had gevonden, zag zich nu met lege handen staan tegenover een jeugdigheid die voor zijn rijpe oordeel geen bestemming meer had. 
Zo viel de ‘derde leeftijd’ uiteen in een laat-volwassen fase van hernieuwde kinderlijkheid, waarin de vijftig-zestigjarige zich met des te groter vrijheid op de imitatie van de adolescentie richtte, en een oud-geworden fase van dreigende kindsheid, die ondanks alle geriatrische zorgen uiteindelijk toch niet af te wenden viel. De leeftijd waaraan het woord ‘ouderdom’ werkelijk niet meer kon worden ontzegd, verscheen tenslotte als het verlies van alles: fysieke capaciteiten, herinneringsvermogen, wijsheid en wereld. Hij werd de loutere ontkenning van het leven, de fase van uitdoving waarin het alleen nog wachten was op de laatste snik.

De ontlediging van de ouderdom vloeide zo voort uit een herinrichting van de levensloop, die in zekere zin zijn eigen hart verloochende. De teloorgang van de volwassenheid bracht alles in het ongerede, omdat de levensfasen niet meer in een onderlinge rolverdeling met elkaar verweven bleken. Een allesdoordringende oriëntatie op het heden slaakte de banden met verleden en toekomst en ontkrachtte daarmee de funcie van de levensfasen die hun betekenis vooral aan die dimensies ontleenden. Terwijl de jeugd van nature geacht werd vooruit te zien naar een veelbelovende toekomst, was het de ouderdom te gegeven terug te kijken op een voltooid leven, waaromtrent het de nodige wijsheid verzameld had. De volwassenheid, letterlijk het midden èn het middel van het leven, kon zich daarbij, geprangd door de onmiddellijke noden van het hier-en-nu en de daarmee gepaard gaande verplichtingen, weinig méér veroorloven dan een bezorgde oriëntatie op het meest directe heden.
Toch was was die oriëntatie al lang niet meer zo eenduidig als zij van oudsher geacht werd te zijn – en misschien liet het schematische denken zich zelfs daarbij altijd al sterker gelden dan de realiteit. Op een vreemde manier vroegtijdig ouwelijk geworden zonder daaraan de rijpheid te verbinden met de volwassenheid, is de jeugd het heden gaan opeisen als haar specifieke ‘tijdsextase’: niet als het milieu van de verantwoordelijkheid, maar als dat van de vervulling. Het ‘here we are, amuse us’ van de jaren tachtig vloeide gemakkelijk samen met een illusieloos gebrek aan toekomstvertrouwen dat men eerder veeleer zocht bij het ‘après nous le déluge’ van een oververzadigde maar evenmin tot wijsheid gekomen kwasi-volwassenheid. 
Ook om die reden verloor de ouderdom het contact met een jeugd waarmee ze – over de druk in het heden ingekapselde middelbare ouderleeftijd heen – voorheen een natuurlijk bondgenootschap van wederzijds gerichte tijdsinteresses had kunnen sluiten. Wie vóóruit kijkt ziet bijna vanzelf degene in de ogen die, aan gene zijde van de in het heden en zijn noden opgesloten middelbaarheid, nu juist op dezelfde leven terúgkijkt: daarin bestond de natuurlijke band tussen kleinkinderen en grootouders. 
Imponerend waren die laatsten echter niet alleen vanwege de lange weg die zij in het leven reeds hadden afgelegd. Hun levensfase was niet slechts een eindtijd, maar gold in veel opzichten ook als een opstap naar een nieuw en hoger begin. De voltooiing van het leven was niet alleen de ontlediging ervan, maar deze was ook bezet met de verwachting van een bekroning waarin de ouderdom het goddelijke steeds dichter naderde. Op de grijsaard straalde al iets van dit bovenaardse af – en ook dát verleende hem zijn bijzondere eerbiedwaardigheid. ‘Vroeger,’ zo heeft Godfried Bomans in een van zijn briljante causerieën uit de jaren zestig opgemerkt, ‘was een bejaarde iemand die er bijna was. Nu is het iemand die er bijna geweest is.’
De archetypische metafoor van de laatste deur vormt van die blikverandering de spil. Sinds jaar en dag geldt de dood – afronding van het leven – als een poort waarboven USCITA – EXIT – UITGANG te lezen staat. Heel het leven is één grote gang op weg naar die laatste doorgang, maar slechts de bejaarde is zich daarvan werkelijk bewust. In zijn toenadering die gaandeweg haar onontkoombaarheid laat voelen, ziet hij hoe de deur zich opent, op een kier of gapend wijd, en hoe zich daarachter het onbekende uitstrekt dat op het moment van de dood zelf – zo zeggen getuigen die ervan op het laatste moment hebben kunnen terugkeren – een overweldigende schittering wordt. Daarná is alles onbekend – of is niet.
Die laatste overtuiging heeft in een geseculariseerde cultuur diep wortel geschoten en daarmee verliest de nadering van de laatste uitgang haar belofte die de angst ervoor eerder enigszins in toom hield. Het einde, zo beklemtoont de filosoof Jacques Derrida in de titel van zijn verzamelde necrologieën en grafreden, verzameld kort voor zijn eigen dood, is chaque fois unique – en het is voor iedere stervende la fin du monde.  
Maar inmiddels rest er na de schittering die alsnog niets anders dan een illusie blijkt te zijn, niets anders meer dan het verlies. Met de secularisering van het wereldbeeld is de dood nog slechts het moment waarop het leven ruggelings wegschuift in een verleden waaraan geen winst meer te behalen valt. De dood is geen deur meer, maar een spiegel: wie hem voorbij denkt te zijn, ziet alleen de voorgoed verloren levensloop in omgekeerde (zelfs het USCITA staat in spiegelbeeld) vorm terug. 
De nadering wordt nu een langzaam uitzoomen: het laatste afscheid, dat zich volgens dezelfde bijna-doden soms afspeelt in de snelle hervoltrekking van het hele leven. Alles zinkt in het verleden weg, zoals ook de snapshots van de kleine en vooral de jonge momenten daarin zich van de oudgeworden blik verwijderen. Ze trekken zich terug in een voorbije tijd die als herinnering onvruchtbaar lijkt te zijn geworden, en schuiven – elk opnieuw wegwijkend – over elkaar. De foto’s (kleinkinderen, kampeervacanties, vrienden en vriendinnen uit de jeugd) verliezen met het afnemen van de herinneringsblik hun kracht en hun betekenis. Wanneer de ogen eenmaal zijn gesloten, zijn zij verzonken in het niets – totdat de familie komt om hen in vuilniszakken op te ruimen.


Dus is de vervulling van het leven voortaan enkel en alleen aan op dat leven zelf te verwachten en daardoor krijgt de dood, als allesbeslissend criterium, een andere betekenis. Altijd al was zij oordeel, een examen voor de eeuwigheid, maar nu geldt dat oordeel alleen nog maar de tijd, die onherroepelijk verstreken is. Zij kan niets meer beloven, geen bekroning en geen eeuwig leven, maar kondigt in haar ‘hora est’ alleen het moment van de balans aan die in alle opzichten het einde is: de afsluiting van de rekening. 
En daarop dreigt, ten aanzien van een leven dat als zand is weggegleden door de vingers, altijd het deficit. Thérèse (Noterdaeme) citeert de wonderschone uitspraak van een meisje van tien jaar: ‘De mensen hebben schrik van de dood omdat ze nog niet veel bereikt hebben.’ Die schrik, die er altijd al was, wordt nu genadeloos, omdat er tegen het gapend niets niet meer op te pleiten, bidden of soebatten valt. Tegenover datgene wat het leven had moeten zijn, vormt de dood voor stervenden altijd de onvoltooide, onbevredigende eindafrekening. ‘Ze klampen zich wel vast,’ zong ooit Jacques Brel, ‘maar vallen doen ze toch, al zijn ze vallensbang.’
Op die onherroepelijkheid van het einde stuit, bijna letterlijk, de blik af, om terug te kaatsen naar het leven dat daaraan voorafging en dat nu zichzelf genoeg moet blijken te zijn geweest. Zo wordt de ouderdom op een andere wijze een spiegel en moet degene wiens leven bijna voorbij is zichzelf op een nieuwe wijze in de ogen zien. Heeft het bestaan dat hij weldra zal afsluiten genoeg draagkracht bezeten om terecht geleefd te mogen heten? De herinnering wordt een gewetensonderzoek, want voor degene die er bijna ‘geweest is’ hangt de betekenis van zijn bestaan zelf bijna geheel af van datgene wat er eveneens ‘is geweest’.
Het is op dat punt dat het foto-album zo’n cruciale rol speelt. Niet alleen omdat het het falende geheugen voorziet van de onmisbare steun bij het her-oproepen van het verleden. Maar vooral omdat het ondubbelzinnig getuigt van de realiteit van dat verleden zelf. Iedere afdruk, zo kon Roland Barthes nog schrijven in zijn meditaties over de fotografie La chambre claire, laat één feit ondubbelzinnig tot uitdrukking komen. Dit, het gefotografeerde, heeft ooit zó bestaan. De persoon op de foto heeft geleefd, heeft er zó uitgezien, is op dit-en-dat ogenblik daar-en-daar geweest, maakte dit gebaar of deze gezichtsuitdrukking. Exact zó: daaraan valt niet te tornen. Het verleden is er – het bestaat, al is het maar in deze getuigenissen van het feit dat het ooit zó is geweest.
 Natuurlijk heeft zelfs de fotografie nooit de juistheid van het getoonde met absolute zekerheid kunnen garanderen. Trucages en vervalsingen zijn er altijd geweest, en met de komst van de digitale fotografie dreigen zij het hele medium te overwoekeren. Hun perfectie maakt elk bedrog, dat in de klassieke techniek van schaar, lijm en doka-manipulatie altijd nog wel enige sporen naliet en daardoor meestal wel ontdekbaar bleek, vrijwel onzichtbaar. De bewijswaarde van het fotodocument is daarmee op fatale wijze aangetast. Voortaan bezit het die hoogstens in dezelfde graad als het geheugen waartegenover het nu juist in stelling werd gebracht, en dat juist van zijn kant in vervorming, verdringing en sublimering een onvoorstelbare creativiteit vertoonde.
Voor het nog niet gedigitaliseerde foto-album dat het geheugen van de bejaarde nu ondersteunt, geldt deze verdamping van de betrouwbaarheid van het medium nog niet. Het kiekje dat erin steekt is onopgesmukt, tot aan de rode ogen op de geflitste portretten toe: een onmiskenbaar teken van een juist door zijn tekortkomingen bekrachtigd realisme. Ook al zijn de foto’s, naarmate ze van verder in de tijd zijn teruggekomen, doortrokken van een wil tot enscenering die de latere snapshot dankzij een hogere filmgevoeligheid kon laten varen, het documenterende karakter ervan blijft onmiskenbaar. Híer hielden wij vacantie in dít jaar, dáár doe ik op mijn zoveelste mijn Eerste Communie, hier zie ik mijn eerste buitenlandse reis terug: het vreemde uitzicht op de eerste bergtop die ik van mijn leven heb beklommen.
Tegenover de geest van de jeugd, die zich vult met nog oningevulde verwachting, is de geest van de ouderdom zo gevuld met de wetenschap van wat alleen nog maar kan worden herinnerd – maar wat daarin op zijn beurt een onwrikbare werkelijkheidswaarde krijgt. Wélke dromen de jonge jaren ook mogen koesteren, de bejaarde weet zich in het bezit van een realiteit waaraan niet te twijfelen valt. Wel twijfelt hij soms aan zijn geheugen, dat hem op onverwachte momenten in de steek kan laten – en dat zich soms op zijn beurt kan laten leiden door ijdele illusies. Niet de wensdroom van de toekomst is dan zijn dwaallicht, maar de wensdroom van het verleden dat ánders had moeten zijn dan het geweest is. Minder dan ideaal en soms zelfs ronduit rampzalig, leent het zich niettemin voor de idealisering die iedere herinnering parten speelt, omdat ze zich nu eenmaal graag de hoedster weet van een leven dat het onthouden waard was.

Tussen illusie en werkelijkheidsdrang wordt het oudgeworden geheugen dan ook voortdurend heen en weer geslingerd. Het ontwaart in een verleden dat het dierbaar is omdat het zijn verleden is, een wereld die wel mooi geweest moet zijn. Zelfs de treurigste levensgeschiedenis krijgt daardoor nog iets bewonderenswaardigs of zelfs heroïsch’: ‘Ik heb geen geluk gehad. ... Maar ik heb voortgedaan zolang ik kon’ - en altijd gold dat ‘la vie est belle’. Zelfs op het leed en de hardheid van de oude tijd schijnt zo de glans van de deugdzaamheid af, die – en dat is de onvermijdelijke tegenhanger van deze idealiseringsdroom – in later tijden en vooral in het heden zo schromelijk ontbreekt. Licht breekt dan de klaagzang over de ‘moderne tijden’ uit, die al sinds Nestors dagen van het Trojaans beleg niet kunnen tippen aan de goede, oude tijd van trouw, van moed, van deugdzaamheid, van vlijt.
 Soms sluipt er in dit trotse terugkijken zelfs iets snoeverigs naarbinnen, waarin de bejaarde zich tot held maakt zonder vlees of blaam in een levensgeschiedenis die de ego-documentatie inruilt voor de lofzang op het zelf. Het tijdschrift Nexus publiceerde in 2005 een speciaal nummer waarin ruim twintig bejaarden van boven de zeventig uitgenodigd werden een Brief aan het nageslacht te schrijven. Het werd een staalkaart van groot verstand en even grote ijdelheid, die – zoals H.W. von der Dunk schreef – bewees ‘dat tussen leeftijd en wijsheid of formaat allerminst een verband hoeft te bestaan.’ 
Integendeel – het kan de oude leeftijd gemakkelijk gaan ontbreken aan de weidsheid van de blik die voor een gezond oordeel en een prudente afstandelijkheid nodig is. De wereld wordt klein, en daarbinnen krijgt iedere futiliteit gigantische proporties. De maatstaf is zoek en daarom krimpt het leven ineen tot de meest onmiddellijke omgeving, zoals de wereldgeschiedenis inkrimpt tot de eigen biografie. Dan krijgt de hoge leeftijd gemakkelijk iets bekrompends, dat - in eigen zelfoverschatting - de wereld die niet meer deugen wil ervan doet lusten, of juist in zelfvernedering het eigen bestaan ontwaardigt: ‘veel klagen en negatief op het leven terugkijken,’ zegt Thérèse, ‘en het minimaliseren van zichzelf’.
Realistisch is het bejaarde geheugen dus niet zomaar. Het schept zijn eigen wereld, naar de maat van zijn eigen, soms dramatisch gekrompen bevattingsvermogen, en past vanzelf zijn eigen herinneringen daarbij aan. Creatief is het geheugen immers als geen ander. Als het dienst doet als een ‘archief van het persoonlijk leven’, dan doet het dat als gebruiksarchief. Het is niet de objectieve neerslag van wat ooit geweest is en in zijn historische realiteit onaangetast bewaard is gebleven. Het is niet stofvrij, luchtdicht of gevrijwaard van de slijtage die later hergebruik daarop heeft achtergelaten. Het bestaat juist terwille van dit latere nut en een hernieuwde toepasbaarheid. Het verandert met de gang van het leven zelf mee en schept zo op ieder moment van het bestaan zijn eigen versie van het verleden.
Vandaar dat de herinneringen altijd in dienst staan van de overtuiging – en misschien nog wel meer het morele oordeel over het heden. Of dat laatste nu beter of slechter is dan ‘vroeger’, bewijzen uit vervlogen tijden zijn daarvoor altijd in overmaat aan te dragen. Selectie, vervorming, fantasie en censuur herscheppen in broederlijke gezamenlijkheid een verleden dat strookt met de aard van de persoon die het koestert – en met het ideaalbeeld van zichzelf dat hij zich voor ogen houdt. Wat daarin niet past wordt vergeten of, al dan niet schuldbewust of überhaupt bewust, verdrongen. Nieuwe herinneringen, soms zelfs aangepast en overgenomen uit de ervaringen van anderen, uit horen-zeggen of uit algemene wijsheden over de vervlogen tijd, komen ervoor in de plaats. Het verleden is het verhaal waarin de verteller de rol vervult die hij zichzelf het liefste toebedeelt en de wereld het gezicht heeft waarvan hij wenst dat zij het had.
Dat betekent niet dat de geheugenfantasie vrij spel heeft. Zij heeft zich te houden aan de documentatie waarvan zij slechts met de grootste moeite af kan wijken. De foto’s liegen niet en de levensgeschiedenis ligt voor wie haar gewoonlijk te horen krijgt – de naaste familie, de kleinkinderen vooral – in grote lijnen vast. Wie haar leven, zoals Maria, gesleten heeft als sappelende boerin, kan het eigen verleden alleen maar omvormen tot dat van een – pakweg - succesvolle politica tegen de prijs van een delirium waarop iedere geloofwaardigheid terstond te pletter slaat. 
Het kader en de grote lijn zijn gegeven door het fysieke archief en menig bejaarde raadpleegt nu juist ter bezwering van de angst dat het delirium van het aftakelende lichaam met de eigen herinneringen op de loop gaat. Hij heeft, in de vrees voor de altijd dreigende uitdoving daarvan, steeds weer opnieuw de bevestigingen nodig van de juistheid van zijn geheugenbeelden – die op hun beurt door deze objectieve bewijsstukken een aanvullende impuls meekrijgen. Het is alsof de herinnering bij het zien van foto’s of andere getuigenissen – en soms ook de verhalen van anderen, tijdgenoten, of jongeren die hem herinneren aan wat hij al vergeten was – opnieuw ‘aanslaat’, om vervolgens op eigen beweging op te diepen wat verloren leek. Het kiekje licht even als een zaklantaarn op om rond te schijnen in de geheugengrot van het verleden.
Maar al die stomme getuigen zijn het verhaal over het verleden, dat zij op de rails houden en behoeden tegen een losgeslagen fantasie, zelf niet. Dat krijgt pas gestalte in het verhaal dat de bejaarde daarover steeds weer opnieuw vertelt: tegenover zichzelf, die erbij was, en vooral tegenover degenen die er niet bij waren: zijn kinderen en bovenal zijn kleinkinderen. De archetypische vraag ‘Opa, vertel nog eens van vroeger’, komt voort uit die dubbele behoefte. De bejaarde her-actualiseert zijn verleden om zich eraan te blijven herinneren wie hij is. En het kleinkind zoekt steeds weer opnieuw de ban van een wereld die een wonderlijk sprookjeslandschap lijkt te zijn, om erachter te komen wie hij nog niet is. Ademloos laat hij zich betoveren door een relaas vol vreemdheid, spanning en emotie – zoals, in een geheel andere rolverdeling, ooit Desdemona door Othello: ‘My story being done,/She gave me for my pains a world of sighs:/She swore, in faith ’t was strange, ’t was passing strange,/`T was pitiful, ’t was wondrous pitiful.’
Het verleden krijgt immers pas gestalte in het verhaal, niet in de beelden die op zich stomme getuigen zijn. Zij hebben nog niet de betekenis waarvan zij in de story de drager worden en die zichzelf vervolgens tot een hele wereld verbreedt. Het is misschien precies dat laatste dat het kind nog niet heeft. De kring waarin hij leeft is wel coherent, maar laat voortdurend vermoeden dat er achter zijn grenzen een nog veel bredere ruimte schuilgaat waarvan hij alleen maar af en toe de onvermoed wondere contouren kan opvangen. Het zijn die breedheid, zelfs die onuitputtelijkheid, die hem fascineren en hij vindt ze terug in de verhalen van de ‘derde generatie’, die leeft bij gratie van het feit dat deze grote wereld in haar levensverhalen zijn afronding bereikt. 

Zo ontdekt het kind zichzelf in de verhalen van de oudgewordene als degene die hij zelf nog niet is: de persoon die kan terugkijken en in het bezit van een verleden ook een wereld heeft. Terwijl het medium van de jeugd het kijken (en op de foto’s waarop hij zo goed uitkomt ook het bekeken-worden) is, vertelt de ouderdom - die zich van zijn kant graag horen wil en daarmee de beelden tot coherentie brengt. Het woord schept de samenhang die fascineert, omdat het voor de jongere de eigen wereld in haar weerspiegeling van de hoge leeftijd een breedte geeft die hij nog maar nauwelijks vermoedt. Wat hem verteld wordt is wonderlijk, maar tegelijk levensecht – omdat het ooit, minstens in grote lijnen, echt is geweest.
Daarmee vertoont het oudgeworden herinneringsverhaal een merkwaardige tweeslachtigheid. Het geeft het heden aan de ene kant een vaste grond en stevigheid, omdat het het verlost uit de toevalligheid van het loutere hier-en-nu. Het heeft een geschiedenis en een afkomst – en daarmee dus ook een bestaansreden. Er is voor datgene wat is een verklaring te vinden in wat was. Maar die oriëntatie op de kompasnaald van de tijd draagt aan de andere kant haar eigen vluchtigheid in zich. Het verleden is immers definitief voorbij. Het bestaat nog slechts in het verhaal, dat, hoe goed ook gedocumenteerd, juist in zijn vertelkracht bedrieglijk creatief – en dus precies daarom bedrieglijk kan blijken. De vaste grond blijkt steeds weer drassig, wanneer de herinnering er vaste voet op denkt te zoeken: hij verzinkt letterlijk in de tijd. 
Iedere herinnering is daarom doorschoten van de melancholie van het ‘Das war einmal’, exemplarisch bezongen door de vooroorlogse Weense operettecultuur die op haar beurt zelf een reliek geworden is: in haar stoffigheid gaandeweg zelfs weer salonfähig en interessant. Haar melodie klinkt als een verre echo, of zwak en krassig vanuit een oude koffergrammofoon die haar oorspronkelijke geluid bewaart: wegstervend en langzaam door de sedimenten van de tijd overstemd. Het verleden doet zich altijd voor als ‘anders’, naar de weergaloze openingszin van L.P. Hartley’s roman The Go-Between: ‘The past is a foreign country: they do things differently there’ – zij het dat dit vreemde land principieel niet meer te betreden is.
Daarom gaat de herinnering, naarmate zij verder terugreikt, altijd samen met het besef van onherroepelijk verlies. De vreugde die zij beleeft aan haar hernieuwde ontmoeting met het verleden – vaak onder de noemer van vertedering – is onvermijdelijk vermengd met de droefheid om de teloorgang daarvan. Ieder verhaal over wat geweest is herinnert dus, al was het maar terloops, ook aan de vergankelijkheid – die zich tenslotte uitstrekt naar het hele bestaan: ook dat van het heden, waarin de jeugd zich nog bijna onaantastbaar waant. Iedere herinnering is een aanval op het overdreven zelfvertrouwen waarin de nog-niet-oudgewordene zich meester waant over zijn eigen wereld.
In de ervaring van wie wèl reeds oudgeworden is, stoot die zelfoverschatting op haar tegendeel. Het leven dat in de aanvang ervan één groot veld van mogelijkheden lijkt, is aan zijn slot nog slechts een verzameling faits accomplis. Aan wat gebeurd is kan niets meer veranderd worden – en daarom mengt zich in de oude herinnering altijd een zekere spijt. Zoveel is er ongezegd en ongedaan gebleven, zoveel mogelijkheden zijn nooit bewaarheid, zoveel is er verkeerd gegaan en zoveel ontspoord. De ouderdom wordt daarmee onwillekeurig het tijdperk van de onherstelbaarheid. Hij stoot op de onverzettelijkheid van een realiteit die zich niet laat plooien naar de wil of luimen van een individu dat zijn geloof in de eigen autonomie en onbegrensdheid nog niet is kwijtgeraakt. Daartegenover buigt hij het hoofd voor de onuitwisbaarheid van wat eenmaal heeft plaatsgevonden.
Zo ziet de oudgeworden herinnering zich geconfronteerd met een dubbele weerlegging van de illusies van haar eigen vervlogen jeugd. Er is aan de almachtige speelruimte daarvan, die zich als onbegrensde horizon lijkt af te tekenen in een toekomst die alleen nog maar belofte is, een harde grens gesteld die met het klimmen van de leeftijd alleen maar ontnuchterender wordt. Wát de menselijke macht ook kan, op het verleden heeft hij geen vat – tenzij in de vorm van een creatieve herinnering die zich gemakkelijk over de rand van de vervalsing begeeft. In de onherstelbaarheid van wat geweest is, moet hij zich zo overgeven aan het feit, en daarin zijn machteloosheid erkennen. Hij kan die feiten interpreteren en al vertellend duiden en inkleuren, maar wat geweest is, is geweest en onttrekt zich aan zijn zeggenschap.
Dat is de eerste ontnuchtering van de ouderdom. De herinnering sclerotiseert omdat ze door een overmaat aan verleden daarin is vastgezet. En onmiddellijk daaraan koppelt zich een tweede ontluistering: niet op grond van het feit dat ‘het’ verleden bestaat, maar op grond van de feiten in dat verleden. Het eindeloze optimisme waarmee de nog niet door enige herinnering getekende levenswil aanvankelijk het bestaan tegemoet stormde, bleek immers al snel en gaandeweg steeds dieper te worden gefnuikt. De onbegrensde mogelijkheden die het leven leek te bieden, wisselden als puntje bij paaltje kwam maar al te vaak in voor een levensnoodzaak die aan de vrije keuze weinig speelruimte liet. De mogelijkheden die onbenut bleven, waren veelal alleen gedachte mogelijkheden, die verdampten zodra hun moment werkelijk daar had moeten zijn. De bejaarde spijt over de onvervulde verlangens is veelal een spijt over wat er nooit was, maar alleen als droombeeld ooit bestaan heeft.
Wat er was, bleek zo de voortdurende weerlegging van een levensgretigheid die aan zichzelf aanvankelijk nauwelijks grenzen gesteld zag. Precies in dat opzicht staan de ervaring van het levensbegin en dat van het einde diametraal tegenover elkaar. Bij de laatste heeft de realiteit ook onverzettelijkheid gekregen die in de eerste nog geheel leek schuil te gaan achter een pas gaandeweg ondraaglijk gebleken lichtheid van mogelijkheden. In deze erkenning van de beperkingen waaraan het leven onderworpen is, schuilt idealiter de wijsheid die aan de gemeenplaats van de ouderdom wordt toegeschreven. 

Die wijsheid van de ouderdom realiseert zich, zoals we zagen, niet altijd: ook dat behoort tot de hinderlijke obstakels van de realiteit. Maar aan het verhaal van de ouderdom is zij wel af te lezen. De melancholie van de teloorgang en de dramatiek van de onvervulde wensen vallen daarin immers niet te loochenen. Hoe en wat men ook vertelt, de onherroepelijkheid van het verleden en de vluchtigheid daarvan zijn constitutieve elementen van ieder bericht over ‘wat was’ – en daarom schemeren zij, voor de goede verstaander, zelfs door de meest vervalste, aan wensdenken opgeofferde en geheroïseerde herinneringsverhalen heen. 
Daarin tegent zich tegelijk de samenhang af tussen de afrondende levensvisie die de ouderdom mogelijk maakt, en de relativerende blik die daarmee geworpen wordt op het speelveld van de menselijke mogelijkheden. De één gaat niet zonder de ander: naarmate de inventaris van het leven alomvattender wordt, schrompelt de illusie van de onbegrensde vrijheid steeds verder ineen tot een ontnuchterend besef van de grenzen daarvan – en van de onwrikbaarheid van de gegeven feiten en omstandigheden. Aan het slot van zijn leven tekent de mens zich af als een wezen dat er een heel bestaan voor nodig heeft om in te zien hoe vluchtig zijn eigen illusies wel niet zijn – en zich daarmee alsnog te verzoenen. 
 Zo’n ouderdom is een geïdealiseerde bejaardheid, die zich weinig aantrekt van de feitelijke ontluistering ervan, noch van de ballingschap waarin de hoge leeftijd, weggeschoven uit de maatschappij, als een nutteloos surplus getolereerd wordt in een limbus die nog slechts op het einde wacht. De verdamping van de volwassenheid verstoorde zowel de jeugd als de ouderdom, zo zagen we eerder, en berooft beide van hun betekenis, die zich allereerst in hun onderlinge wisselwerking toonde. Terwijl oud en jong elkaar niets meer te zeggen hebben, verkommeren beiden in een perspectiefloos niemandsland, waarvan alleen de ouderdom zich scherp bewust is – omdat hij de eerste is die daarvan de pijn en eenzaamheid moet dragen.
Onomkeerbaar lijkt die generationele verwarring echter niet te zijn. Met het wegebben van de baby-boom verschuift de pensioengerechtigde leeftijd weer naar boven, en raken leeftijdsfase en levensverantwoordelijkheid opnieuw met elkaar in overeenstemming te komen. Een herstelde volwassenheid (die zich aan de andere zijde van haar leeftijdsspectrum nog wèl zal moeten ontworstelen aan haar fascinatie voor haar eigen eeuwige jeugd) geeft op termijn ook de bejaardheid haar eigen plaats terug, als de fase die het actieve leven werkelijk voorbij is maar het niet op haar eigen aftakeling hoeft laten aan te komen om haar hoge leeftijd te onderstrepen. 
Het is deze ouderdom die – wellicht – de toekomst heeft, en ze wordt naar behoren weerspiegeld in haar eigen verleden. Zoveel hoeft er aan de ouderdom tenslotte niet te veranderen ten opzichte van wat hij altijd al was: een levensfase waarin zich, zij het met mate, het inzicht in de betrekkelijkheid van alles en dus een zekere wijsheid spiegelde. Met mate: want ook in het verleden was die wijsheid altijd al meer spreekwoord dan werkelijkheid – zij het werkelijk genoeg om spreekwoordelijk te kunnen worden. Met mate ook omdat nu juist het relativerende inzicht van de ouderdom inhoudt dat niets ooit aan een ideaal beantwoordt – zelfs de ouderdom niet.
Dat laat die laatste uiteindelijk opnieuw achter met zijn herinneringen en zijn foto-albums, waarop zijn kleinkinderen én hijzelf in zijn jongere gestalte hem toelachen. Ruggelings schuift hun beeld terug in de stokkende herinnering, nog even vasthouden door hun fixatie in het album en zijn souvenirs. Zij zijn de getuigen, hij is het verhaal dat hen betekenis geeft: ‘We stonden allemaal thuis op de pelouse onder een wasdraad,’ zegt Elza, ‘ons haar opgestoken met wat speldjes. Het was een echte schone foto.’