De open ruimte

Richard Anthone

De open ruimte / Unvarnished 2004

Socrates: vergeef me mijn beste. Ik ben een weetgierige, zie je. En landerijen en bomen willen me niets leren, maar wel de mensen in de stad. Toch heb ik de indruk dat jij het middel gevonden hebt om mij naar buiten te krijgen.
— Plato, Phaedrus [229-230]

Sinds de tijd van Aristoteles leven we in een systeem van categorieën. Dit lijkt zo zijn voordelen te hebben, vooral omdat daardoor wetenschappelijke vooruitgang mogelijk werd. Dank zij hem kunnen we moeiteloos bepalen wat iets is. Dat ‘wat’ is dan een categorie en we zijn tevreden en vergenoegd omdat we ‘iets’ kunnen identificeren doordat we dat ‘iets’ ergens in een hokje kunnen plaatsen. Dat systeem wordt ons ook aangeleerd, al eeuwen lang, zodanig en zo goed zelfs dat we geen alternatief kunnen bedenken. We vinden het de gewoonste zaak om het dagdagelijks toe te passen. Onze manier van oordelen is daarop afgestemd en we slagen er doorgaans in om moeiteloos te oordelen over wat iets is door zijn categorie te herkennen of te bepalen.

Toen we naar de Gemeenschapsinstelling De Zande in Ruiselede gingen om met jongeren te filosoferen wisten we al dat ze tot de categorie delinquente, door de jeugdrechter geplaatste, jongeren behoorden. Dit wisten we door het feit dat ze in de gesloten afdeling van De Zande zaten. We wisten, om het in vaktermen te zeggen, dat we moffers1 zouden ontmoeten. De kennis van die categorie maakte op zich al indruk. Maar die kennis zei ons niets over wie ze waren en wat ze dachten.

We zijn met vragen naar binnen gegaan. Vragen die, volgens ons, overeind blijven. Vragen aan jongeren zijn vragen aan iedereen. Waarom aan iedereen? Omdat jongeren in het algemeen onze toekomst zijn. Zij vertegenwoordigen de nieuwe generatie en ooit zullen zij in onze plaats treden. Waarom zijn we juist daar binnengegaan? Omdat de jongeren die daar binnen zitten zich ergens aan de buitenkant van de maatschappij situeren. Terwijl dat niet zo had mogen zijn. Interessant die beweging: zij zitten binnen omdat ze ‘iets’ uitgestoken hebben buiten, wij gaan binnen en verlaten daardoor het buiten.

We wilden hen tot een dialoog uitnodigen. Uitnodigen is niet dwingen. Uit-nodigen is vragen om buiten te komen en iets anders te betreden. Waarbuiten? Uit hun wereld die ogenschijnlijk nu al afgescheiden is van de rest. Dat element uitnodigen is een appèl, een oproep: ‘kom daar buiten, we willen kennis maken’ Het is een oproep zonder dwang. Dat maakt dat de jongeren de vrijheid hebben om er al dan niet op in te gaan.

Wie zijn jullie?

J: Wie zijn jullie? …Dat is iedereen.

K: Jij stelt wel rare vragen.

A: Moeilijk.

L: Wel een goeie vraag.

De vraag is simpel. Het antwoord is misschien moeilijk.

J: Dat is een vraag om over te zeveren. Iedereen gaat een andere mening geven…moeilijk om over te babbelen. We zijn, zou ik zeggen, een lichaam met een beetje bloed en organen. Voilà.

L: Voor mij is het hetzelfde: een mens van vlees en bloed.

Moest ik nu vragen ‘wat jullie zijn’, zou dat een gemakkelijker vraag zijn om op te antwoorden?

L: Jongens toch!

K: Ik zou gewoon zeggen: een mens.

J: Alé. Stel eens een normale vraag.

Dat is toch een normale vraag?

J: Nee.

Wat is daar zo raar aan?

O: Je kunt ze misschien anders formuleren, die vraag.

L: Anders kunnen we er niet een uur over discussiëren.

O: Ja, want als we de vraag niet verstaan, dan kunnen we er niet op antwoorden.

Heb je de indruk dat de vraag niet door iedereen …?

O: ……….verstaan wordt?

L: Doe maar door.

Filosoferen is een andere manier om greep op de wereld te krijgen. Filosoferen wijkt fundamenteel af van de wetenschappelijke manier. Fundamenteel omdat de filosofische manier eerder gericht is op het vragende en het onderzoekende, de wetenschappelijke eerder op verifieerbare feiten en antwoorden. Wat opviel tijdens de gesprekken met de jongeren is dat ze menen greep te hebben op de wereld. Althans de wereld zoals zij die kennen en leren kennen hebben. Ze zijn geschoold in het voeren van allerlei gesprekken; gesprekken die ze zeer goed beheersen. Gesprekken met hun vrienden, instellingsgenoten, maar ook opvoeders, psychologen, leraars, jeugdrechters, welzijnswerkers en ouders. Het zijn gesprekken waarvan ze zeer goed weten dat ze bepaalde bedoelingen hebben en dat die bepaalde belangen dienen. Belangen die al dan niet voor hen voordelig kunnen zijn. Ze weten wat ze moeten zeggen of niet zeggen om die belangen voor hen of voor anderen veilig te stellen. Dit maakt dat ze met een zekere geamuseerdheid en geslepenheid de gesprekken anticiperen.

Filosoferen daarentegen dient geen enkel belang. Het is in principe een belangeloos gesprek: niemand moet iets, het moeten is totaal afwezig. Het volgende citaat stelt het heel duidelijk. ‘Het impliceert dat je waardering hebt voor ideeën die niet de jouwe zijn, dat je respect hebt voor gezichtspunten die je in eerste instantie geneigd bent af te wijzen. Toelaten van het andere is waarderen wat lastig, ergerlijk of zelfs pijnlijk is… Dit is precies wat Aristoteles omschrijft als de kern van vriendschap.’2

Als het ware is het een letterlijk ont-moeten. Wij plaatsten geen enkele uitspraak in een bepaalde context. Integendeel: elk antwoord leidde naar een nieuwe vraag. Wij wilden graag begrijpen, we wilden graag binnenkomen in hun wereld zonder dat daar enig oordeel aan verbonden was, oordelen waarop ze wachtten en waarop ze hun gedrag konden afstemmen. Verwarring was veelal het resultaat. Hoe dikwijls moesten we niet horen: ‘Jij stelt rare vragen’ of: ‘Jij hebt dat al gevraagd’ (maar dat deden we alleen omdat ze niet op de vraag antwoordden).

Waarom nemen mensen drugs? Waarom bestaan er drugs?

T: Om te flashen en dat soort toestanden.

Ja, maar waarom willen mensen flashen?

K: Omdat ze meer macht willen hebben.

L: Uw vraag is eigenlijk raar. Waarom bestaan er drugs?

Die ogenschijnlijke belangeloosheid leidde soms tot onbehaaglijkheid. Afwezigheid van belangen betekent vrijheid. Een soort van vrijheid die tot niets verplicht en daarom zo confronterend kan zijn. Er is niets om zich naar te richten.

Is dat een vorm van macht, zwijgen?

O: Ja. Je kunt dan niets zeggen…

L: Je kunt op je kop staan…je kunt moeilijk verplichten om iets te zeggen.

K: Zeg eens iets.

A: Dat is een soort macht over uw gedachten.

Dromen: is dat ook een uiting van persoonlijke macht?

L: Ik kan zelf mijn dromen bepalen.

Jij kunt zelf je dromen bepalen?

T: Ja, ik ook.

Alleen de vragen zijn daar die telkens vanuit een houding van willen weten worden gesteld. Wij – de gespreksleiders dus – zorgden ervoor om elke mogelijke interpretatie zoveel mogelijk achterwege te laten. Hun antwoorden werden niet veroordeeld, noch beoordeeld. We communiceerden met respect voor hun mening; respect in de context van onbevooroordeeldheid. Wat niet betekende dat wat ze gedaan hadden door ons vergoelijkt werd. De feiten zijn er, alhoewel ze slechts in de rand van de gesprekken en dan nog terloops aan bod kwamen. Begrijpen van iets verlost ons niet van goed- of afkeuring.

Het was voor ons evenzeer een opgave als een kunst.

Door onze bevraging trachtten we een ruimte te scheppen die vrij was van alle vooroordelen. Dat was ook noodzakelijk wilden we van het ‘wat-zijn-jullie-denken’ afstappen en overschakelen naar het ‘wie-zijn-jullie-denken’.

Is er een verschil tussen wie je bent en wat je doet?

<Gezucht>

L: Iedereen heeft gewoon verschillende… Wat was de beginvraag nu weer?

A: Wie zijn we?

L: Iedereen heeft verschillende plaatsen. Iedereen wordt iemand anders, elke keer terug opnieuw iemand anders. Dat is het antwoord op je vraag. Ik peins dat dat bij iedereen zo is en dat hij blijft wie hij is. Maar ik kan me niet voorstellen dat je thuis ook zo bent.

E: Iedereen blijft hetzelfde, maar je gedraagt je anders

L: Ben je thuis ook zo zoals hier?

T: Maar nee.

L: Dus hij is wel anders thuis.

T: Ik ben dezelfde persoon, maar ik doe iets anders.

L: Iedereen blijft dezelfde persoon.

Omdat de gesprekken geen enkel belang op zich dienden, waren ze niet altijd vlot. Tenslotte waren het geen conversaties. Vrije ruimte veronderstelt het nemen van verantwoordelijkheid voor de eigen uitspraken, het veronderstelt ook de moed om zowel de eigen mening als die van de ander te onderzoeken. Zij waren het zo gewend om te verwachten dat de ander, de volwassene, maar moet zorgen om het gesprek boeiend te maken en dat zij zelf daar geen deel in hadden. In die zin is vrije ruimte een paradox. Ze biedt geen enkele zekerheid en dompelt eenieder in ogenschijnlijke stuurloosheid. Het is niet vanzelfsprekend, maar wel noodzakelijk om datgene te bereiken wat Martha Nussbaum bedoelt: ‘Reflectie op onze oordeelsvorming is essentieel, omdat wij alleen door reflectief te zijn werkelijk gestalte kunnen geven aan menselijke vrijheid. Reflectie een potentiële vorm van verandering.’3 En dat is tenslotte ook wat we deze jongeren hebben aangeboden, wat we samen met hen hebben getracht te realiseren: een potentiële vorm van verandering. Het is aan hen en aan ons om dat te actualiseren.

Richard Anthone

1 MOF = Misdaad Omschreven feiten.

2 Jos KESSELS, Erik BOERS, Pieter MOSTERT, “Vrije ruimte”, Boom, Amsterdam, 2003.

3 Martha Nussbaum, ‘Wat liefde weet. Emoties en morele oordelen’, Boom/ Parrésia, Amsterdam, 1998, p. 20, inleiding, Marianne Boenink.