Een icoon boven de dampkap

Johan de Vos

Een icoon boven de dampkap / Living 2006

Laten we foto’s niet overschatten. Ze tonen slechts de buitenkant. Foto’s zijn niet indringend, ze verbeelden de opperlaag van een muur, de pluche van een zetel, een glinstering op het glas. Ze laten geen geluid of geur, ze beperken zich tot een kader, bijna vierkant, met niets daarbuiten. Een foto is de weergave van een zeer korte tijd, niet meer misschien dan een honderdste van een seconde. Wat we zien is een kortstondige, smalle, stille en reukloze oppervlakkigheid. De foto’s in dit boek tonen ook geen mensen, zelfs niet de illusie van beweging. En als we er aan voelen, voelen we papier.

Als de foto dan toch indrukwekkend is, dan komt dat een beetje door de foto en veel door enkele kronkelingen in de hersenen van de kijker. Ook al kan hij het kunstleder van een zetel niet voelen in de foto toch ziet hij hoe het voelt. Het gevoel leeft in zijn herinnering. Het is niet moeilijk om die emotie op te roepen. Als we een woonkamer zien van het Marokkaans gezin dan kan hij zich daarbij misschien zelfs een geur voorstellen. Elke huiskamer is de variatie op een of andere huiskamer die we kennen. We zien nooit iets dat volkomen nieuw is. Foto’s zijn slechts ten dele nieuw. Moesten ze helemaal nieuw zijn, dan zouden we ze niet herkennen. We zouden niet weten wat de foto voorstelt, het beeld zou onbegrijpelijk zijn en als gevolg daarvan allicht ook nietszeggend.

Zo komt het dat iedereen op een eigen manier naar foto’s kijkt en er andere dingen in opmerkt. De foto haakt zich vast aan privé herinneringen. Hij wordt beoordeeld vanuit een andere omgang met beelden, een specifiek gevoel voor schoonheid en vanuit een eigen intimiteit. Foto’s van interieurs hebben iets intiem. De voordeur staat niet voor iedereen open. Mensen zijn schuw geworden, zeker in een stad als Brussel. Binnendringen in de woonkamer is een privilege. Om er onuitgenodigd in rond te neuzen is een huiszoekingsbevel nodig. En het mag alleen gebeuren bij klaarlichte dag. Zo is de wet, en de wet is gemaakt door de gekozenen van het volk. Ze zegt iets over de gebruiken in dit land.

De foto’s werden gemaakt door een fotograaf. Het is een vrouw: Karin Borghouts. Ze kent haar vak en ze heeft ervaring. In de fotografie betekent ervaring: de gave om een foto te voor-zien. Als Karin Borghouts op het knopje van de sluiter drukt dan kan ze zich voorstellen hoe de uiteindelijke foto er zal uitzien. Vooral als het gebeurt in gecontroleerde omstandigheden, met het toestel op een statief, zonder bewegende elementen in beeld, na het meten van het licht, het zorgvuldig schikken van het beeldkader en het nauwkeurig instellen van de afstand. Ik wil dit zeggen: deze foto’s zijn het gevolg van wel overwogen keuzes. In deze foto’s speelt toeval maar een kleine rol. Dat is meestal anders bij foto’s.

Maar de foto’s zijn niet alleen gemaakt door de fotograaf, ze ontstaan door een samenloop van omstandigheden. De fotografe plaatste haar camera in een ander wereldje. De schikking van het interieur, de elementen aan de muur, de schering van het licht, het is een momentopname van iets dat al lang aan het groeien is. Het is anders dan de foto’s van bijvoorbeeld Ikea of Morres meubelen. Daar zijn de foto’s van de interieurs smaakvol en kortstondig. Ze zijn gemaakt om de meubels te verkopen en de samenstelling van die meubels duurt niet langer dan de tijd van een foto. Ze worden geschikt volgens de regels van de ‘goede smaak’ waarbij niets de kijker mag hinderen. De interieurs in dit boek daarentegen zijn het gevolg van een manier van leven, de samenstelling van het gezin, cultuur, religie. Binnen het kader van een beschikbare ruimte en met de beschikbare middelen (geld of meubels uit een ander huis) groeide een samenscholing van dingen die we een leefkader zouden kunnen noemen.

Maar de leefkamer is ruimtelijk en de foto’s zijn plat. De ruimte is rondom en de fotografe koos één richting. Bij elke foto vraag ik me af: waarom die richting? Er bestaat een soort hiërarchie in een leefruimte. Het heeft misschien zelfs iets met religie te maken, of laten we zeggen iets ceremonieels dat leeft bij mensen. Bij de oudere huizen is de schouw de centrale plaats. In een land met een gematigd maritiem klimaat is het de plek waarrond de bewoners zich scharen. In deze huizen staat daar nu een gasconvector. In de jaren zestig hadden die modellen iets modernistisch, ondertussen zijn ze geëvolueerd tot een symbool van armoede. De schouw werd vaak gemaakt in betere materialen, marmer bijvoorbeeld of met dure tegels. Het werd een soort altaar. Boven de schouw prijken vaak religieuze symbolen, het kruisbeeld, en ook het uurwerk en daar rond zien we de foto’s van de bewoners, hun overleden ouders, de foto’s van de bruiloft, de kleinkinderen enzovoort. Deze foto’s zijn geen tentoonstelling, ze zijn een eerbetoon op het familie-altaar. Amateurfoto’s worden er vaak gepromoveerd tot staatsiefoto’s. Maar de centrale verwarmingssystemen hebben terzake veel gewijzigd en zo verhuisde de icoon naar de keuken, hoog boven de dampkap.

De interieurs zijn mooi gemaakt. Het is alsof ze poseerden voor de foto. Ze zijn niet normaal, ze zijn properder. Ik zie geen vuile kopjes op de tafel, noch een krant naast de zetel. De zuiveringsactie die de foto-opname voorafging, getuigt van respect voor de bewoners. De fotografe die de foto kan voor-zien weet wat het effect kan zijn van - zelfs een kleine - slordigheid. Een kijker zoekt er naar. Kijkers zijn gluurders, ze speuren op pikante herkenbaarheden. Maar de fotografe is nobel, ze gaat niet in op het gluureffect, ze verschoont de interieurs.

Het interieur van Uttam Binu de jongen (het meisje?) van Bhutaanse nationaliteit is niet echt luxueus. Het valt niet meteen op want de kleuren zijn warm en zacht bij het zijdelingse daglicht. Het gordijn past zelfs bij de kleur van de muren. En ja, er is een schouw met daarop vijf ingelijste foto’s, van groot naar klein. Op de grote foto is er een staande figuur. De manier van staan, met de handen zo voor de buik, is een universele houding. Zo poseren bescheiden mensen. Verder zijn er spullen van kinderen op de schouw en ook de kalender is er een die de kinderen aanspreekt met een stripfiguur tegen een felrode achtergrond. De rommel werd onder het trapje geschoven en onder de televisietafel brandt een rood lichtje, het lichtje hoort bij een verzameldoos met stopcontacten. De elektriciteitsdraad neemt een waardige bocht rond de deur links in beeld. Het is een stevige draad: eigenlijk is dit al een beetje luxe. Elke foto biedt een zee aan informatie, en hoewel de foto verschoond werd, toont ze toch haast nog meer dan welvoeglijk is. Soms voel ik me gegeneerd om verder te kijken.

We kennen onze interieurs vanuit twee hoogtes: zittend en staand, lager en hoger. In de publiciteit voor meubelen worden de interieurs vaak opgenomen vanuit een zeer laag standpunt. Dat is lichtjes ongewoon en het esthetiseert het beeld. Maar de interieurs kunnen ook gezien worden vanuit de ooghoogte van een staande mens. Zo ziet men het bij het betreden van de kamer, vanuit de deuropening.. In de praktijk zien we het interieur het langst vanuit een zittende houding, zittende aan een tafel in de eetkamer, zittende in een zetel in de kamer met de televisie. Op den duur wordt dit dan het normale standpunt. Karin Borghouts koos vaak voor een hoogte tussen de twee. De hoogte van het hart van een staande mens. Zo maakt ze de interieurs herkenbaar en toch niet al te esthetiserend.

De elfjarige Ülger Lâté woont in een huis met feestelijke gordijnen. Ze filteren op een zwierige wijze het licht. Dit gordijn heeft operette-allures. Het maakt de buitenwereld tot een vrolijk tafereel en tegelijk is het een muur van licht naast de televisie. De kamer is opgeruimd, de televisie is uit en zelfs de glazen schaaltjes boven op de kast zijn leeg. De radiators zijn koddig. Het vormen een eeneiige tweeling. Ze worden geaccentueerd in de foto, streepjes trekken de aandacht in een beeld. Foto’s zoals deze geven hun geheim slechts geleidelijk prijs. De intimiteit van deze ruimte zit dieper verscholen. Ik kan me niet ontdoen van de gedachte dat het met vrouwen te maken heeft. Hun aanwezigheid zal de ruimte kleuren, opwarmen, bewoonbaar maken.

De foto’s zijn gemaakt in Brussel. De stad beïnvloedt het leven zelfs tot binnen in de interieurs. De vele culturen provoceren op den duur een grotere tolerantie. Het kan niet anders. Uit alle delen van de wereld komen er spullen en gedachten binnen die in de leefkamers een plaats krijgen, ze hangen aan de muur of liggen op de salontafel of boven de dampkap. Het zijn sporen van mensen en menselijkheden. Ik denk aan de bijna-tieners die er wonen. Ze hebben een bijzondere leeftijd, de leeftijd van de verandering, ze zijn onderweg om vrouw of man te worden, hun armen en benen zijn even in onevenwicht, ze ademen onzekerheid. In deze interieurs en in deze stad maken ze korte bewegingen en muziek. Het is spannend om er aan te denken bij het bekijken van de foto’s. Het is niet zo dat we het zullen begrijpen, maar de verwondering is ook al mooi.