Feiten, levensverhalen en verbeelding

Jan Knops

Feiten, verhalen en verbeelding / S(O)AP 2009

In de sociaal artistieke praktijk worden maatschappelijke feiten meestal als uitgangspunt genomen van een project. De feiten worden opgevat als een weerspiegeling van een werkelijkheid van een bepaalde doelgroep. Een werkelijkheid die zowel de sociale, de economische als de culturele dimensies van de betreffende doelgroep omvat. De feiten geven concreet uitdrukking aan de wijze hoe mensen hebben geleefd, wat zij hebben meegemaakt en wat zij hebben kunnen realiseren. Levensverhalen van mensen hebben voornamelijk betrekking op die feiten. Zij representeren de individuele beleving ervan.

Levensverhalen worden in een project voornamelijk aangedragen door vertegenwoordigers van doelgroepen die meestal ook participeren. In het project wordt hen de mogelijkheid geboden om uitdrukking te geven aan hun maatschappelijke staat van zijn. Zij krijgen als het ware een forum aangeboden. Doordat hen het woord wordt gegeven, kunnen zij ook beschikken over de regie. Zij leveren immers niet alleen de feiten en de levensverhalen, zij houden er ook de controle over.

De vraag is nu hoe de participanten maar vooral de kunstenaar zich verhouden tot die feiten en levensverhalen.

Voor participanten is de herkenbaarheid van hun eigen levensverhalen van belang. Hoe subjectiever de invalshoek in het project des te meer zij zich zullen herkennen.

Dit verlangen naar herkenbaarheid dwingt maar al te vaak een laagdrempelige artistieke vertaling van feiten en levensverhalen af. In een poging tegemoet te komen aan dat verlangen hebben wij de neiging om ons te beperken tot documentair (beeld)materiaal of de afgeleide daarvan de docu-soap. Een vertaling die het anekdotisch niveau nauwelijks overstijgt, die overeenkomt met hun werkelijkheid en die een bevestiging is van hun geleid leven.

Wij kunnen ons de vraag stellen of een artistiek werk dat (subjectieve) belang van de bevestiging van feiten en levensverhalen moet dienen. Dat geldt zowel voor de participanten die de feiten en levensverhalen hebben aangereikt als voor de toeschouwers die over de verbeelding ervan reflecteren.

Voor de kunstenaar is research een belangrijk onderdeel van het project. In deze fase formuleert de kunstenaar zijn uitgangspunten en verzamelt hij de feiten. Hij houdt interviews met participanten en bekijkt en registreert verschillende andere bronnen, zoals bijvoorbeeld foto’s of filmmateriaal. Hij bestudeert literatuur over het onderwerp en toetst zijn ideeën bij zijn collega kunstenaars.

Langzaam aan maakt hij plaats voor de verbeelding. Feiten en levensverhalen worden naar het tweede plan gedrukt. Of beter gezegd zij worden getransformeerd. Door de werkelijkheid (feiten en levensverhalen) te transformeren creëert de kunstenaar een nieuwe werkelijkheid. In die nieuwe werkelijkheid controleert de kunstenaar de feiten en de levensverhalen, niet de participanten. Hij bepaalt de mate van vervreemding. Hij herschikt, interpreteert en bewerkt het materiaal zodanig dat het aan herkenbaarheid zal inboeten en aan fascinatie, confrontatie en reflectie zal toenemen. Hij dient daarbij geen enkel belang behalve dat van het kunstwerk zelf.

De vraag dringt zich op hoever de kunstenaar hierin kan gaan? Moet hij binnen de sociaal artistieke praktijk niet een bepaald evenwicht na te streven tussen feit, levensverhaal en verbeelding?

In de verbeelding zal de kunstenaar een zekere mate van ‘abstractie van feiten’ aanbrengen. Mogelijk laat hij het abstracte een dialoog aangaan met het concrete, met de feiten. In ieder geval zal hij het kunstwerk verbreden minder particulier maken. Zijn transformatie van de werkelijkheid zal de toeschouwer uitnodigen om te communiceren. Hij zal binnen de context van de sociaal artistieke praktijk een sacralisering van het beeld vermijden omdat dat geen inmenging van de toeschouwer toestaat.

Een inmenging die niet onbegrensd is. Daarom zal een kunstenaar zich vooral niet moeten laten verleiden om de buikspreker van de doelgroep te worden. Niemand zal hij daar een plezier mee doen, noch de participant die aan het einde van het project opnieuw toeschouwer wordt, noch de toeschouwer van het kunstwerk. In dat geval zullen zij door het kunstwerk gevangen worden gehouden in hun eigen herkenbaarheid, in hun eigen bevestiging van de feiten en de levensverhalen. Zij hoeven geen inspanning meer te doen om over het kunstwerk te reflecteren en zichzelf in vraag te stellen.

Alles is onder controle.

Brussel, 28 september 08

Jan Knops