Jongeren, grenzen en wensen

Koen Raes

Jongeren, grenzen en wensen / Unvarnished 2004

1. Jongeren en/in hun sociale context

Klachten over de toenemende normloosheid, permissiviteit en losbandigheid van ‘de jeugd’ zijn zo oud als onze cultuur. Men kan ze reeds bij Plato terugvinden, en indien men eeuw na eeuw de literatuur aan elkaar zou schakelen over die ‘toename’ van bandeloze jongeren, dan zou de conclusie alleen maar kunnen zijn dat alle jongeren vandaag volstrekt ongeciviliseerde wezens zijn, waar geen huis mee is te houden. In werkelijkheid worden jongeren in iedere periode vanuit een bepaald ‘wensbeeld’ benaderd en indien zij van dat wensbeeld afwijken – wat per definitie het geval is – dan wordt al snel tot een ‘toename’ van deze of gene gedragsvorm geconcludeerd, ook al blijft die marginaal en niet-representatief voor meer globale tendensen.
  Hedendaagse jongeren ontwikkelen zich in een economische en sociaal-culturele context die in belangrijke opzichten verschilt van die van vroegere generaties jongeren. Vooreerst vormen zij, voor het eerst in de geschiedenis van onze samenlevingen een minderheid: er zijn meer 60-plussers dan min-20-jarigen. Dat betekent dat zij zowel op macro- als op microvlak voortdurend tegen een meerderheid van volwassenen moeten opboksen: zowel in hun gezin (het gemiddelde kindertal per vruchtbare vrouw bedraagt thans 1,3) als in de maatschappij in haar geheel. Tegelijk hebben we jongeren hun belangrijkste ontmoetingsruimte grotendeels ontnomen: het openbaar domein dat thans door de ‘legitieme onveiligheid’ van het autoverkeer quasi-volledig wordt ingepalmd.  Dit betekent dat de school en de jeugdbeweging veel belangrijker zijn geworden voor de – niet-gecommercialiseerde - ontmoeting met leeftijdsgenoten, want men heeft jongeren de ruimte ontnomen waar zij vroeger ‘hun ding konden doen’: flaneren, spelen, voetballen, keuvelen. Integendeel wordt van hen op het openbaar domein een sterk gedisciplineerd gedrag verwacht en worden zij van jongsaf opgevoed in een ‘veiligheidsdiscours’ in termen van veiligheidsstoeltjes, veiligheidshelmen, veiligheidsgordels, veiligheidslichten enz. De ontmoeting met leeftijdsgenoten, de mogelijkheid om voor hen verantwoordelijkheid op te nemen en er conflicten mee uit te vechten is vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief van fundamenteel belang.  School en jeugdbeweging worden daarom van groter belang en er moet  worden gewaakt dat vooral jongeren uit kansarme gezinnen ‘de weg naar de jeugdbeweging’ (en naar de speelpleinwerking) vinden, want zij zijn bij uitstek kwetsbaar voor flexibiliserings- en vereenzamingsprocessen.  Indien hier geen krachtdadige initiatieven worden genomen, dan is voorspelbaar dat er – en in zekere mate is dit reeds het geval – terug straat- en jeugdbendes in onze grootsteden zullen opduiken, die het met de grenzen tussen het legale en het illegale niet zo nauw nemen.
Want inderdaad, behoorlijk wat hedendaagse jongeren groeien in dit tijdperk van massale telecommunicatievoorzieningen behoorlijk eenzaam – het weze verwend, het weze verwaarloosd – op. Dat is één van de belangrijkste redenen waarom de gsm zo snel aansloeg bij jongeren en voor hen heel wat meer betekent dan een gadget: het is hun communicatiemiddel geworden in een wereld die hen de straat heeft ontnomen.
Jongeren zijn hoofdzakelijk schoolgaande mensen, die in grote meerderheid (zij het meer meisjes dan jongens) tot ver boven de 20 jaar studeren en dus afhankelijk zijn van hun ouders voor hun levensonderhoud. Tegelijk beseffen zij dat hun diploma maar een heel tijdelijke waarde heeft in een kennismaatschappij waarin de kennis exponentieel toeneemt. Zij zien hun leven waarin ‘permanent leren’ een grondvereiste is dan ook minder traditioneel opgedeeld volgens het vaste schema van studeren/werken/pensioen.  Deze jongeren zijn minder geneigd om zich te laten inspireren door de vereiste van de ‘postponed gratification’: waarom niet nu reeds ‘van het leven genieten’, gezien ons leven er toch een van flexibele arbeidsstatuten en arbeidsvoorwaarden zal worden? Hedendaagse jongeren denken heel wat minder ‘historisch’ in termen van een verleden, een heden en een toekomst, maar situeren zich veeleer territoriaal in een mondiale ruimte die om verkenning vraagt. Stimuleert het onderwijs zélf overigens jongeren niet om zoveel als enigszins mogelijk op reis te gaan, via schoolreizen, via interuniversitaire uitwisselingsprogramma’s? Veel jongeren – de zogeheten ‘backpack-generation’ – trekken er dan ook tussen of tijdens hun studies een jaartje op uit als reizende gezellen die wat levenservaring willen opdoen en uitdagingen willen opnemen. Van een generatieconflict tussen ouders en kinderen is nog nauwelijks sprake daar jongeren en hun ouders er ongeveer dezelfde waardeperspectieven op nahouden. In het postmoderne ‘onderhandelingsgezin’, waarvan de samenstelling niet zelden wijzigt, zijn de relaties tussen ouders en kinderen verregaand gedemocratiseerd. Hedendaagse jongeren zijn in zeker opzicht ‘losgeslagen zelven’, met hun gevoelens op drift en zoekend zonder vaste bestemming en zonder vaste thuishaven. Het zijn ‘nomaden’ in een samenleving die nog maar erg weinig zekerheden op economisch, sociaal, cultureel en levensbeschouwelijk vlak weet aan te reiken.    

2. Waardeperspectieven bij jongeren

Het denken en handelen van jongeren wordt vooral geïnspireerd door een 'hier en nu'-perspectief en dat getuigt op zich van een realistische per­ceptie van datgene waarop men nog enige greep kan uitoefenen : de microsociale, dagelijkse context binnen een niet al te lang tijdsperspectief.
Dit kleurt ook af op het maatschappelijk engagement. Het is volstrekt onjuist te stellen dat jongeren zich niet (meer) zouden engageren. Wél is juist dat die engagementen meer fragmentair zijn, voorwaardelijker, meer contextgebonden en meer concreet (het succes van het vegetarisme onder jongeren is hiervan een mooie illustratie). Minder pretentieus ook en minder zelfverzekerd. Het zijn immers engagementen die zich niet meer kunnen optrekken aan één of ander groot verhaal over menselijke ontvoogding en vooruitgang en precies daarom de nadruk leggen op concrete actiepunten, zoals de leegstand van woonhuizen in de steden, de verkeersongelukken met fietsers, dierenmishandeling, problemen in de eigen school of wijk enz.
Van de vele tendensen binnen de jeugdcultuur - en binnen de cultuur in het algemeen kunnen er drie als een reactie op of als een vorm van inpassing in de heersende 'postmo­derne conditie' worden opgevat. Ik wijs aldus op het toenemend belang van (a) het expressief individualisme, (b) het consu­mentisme en, tenslotte (c) het levensbeschouwelijk indifferentisme. 
(a) Bij de expressief-individualistische ingesteldheid, staat de waarde van de eigen, individuele ontplooiing, de zelfbeschikking en -expressie en de zelfac­tualisatie centraal, waarbij men het sociale (gezin, arbeid, vrije tijd) gaat opvatten in termen van hun 'therapeutische bijdra­ge' tot het 'zich goed voelen' van het individu. Het sociale wordt beoordeeld in termen van zijn dienstbaarheid voor het individuele welbehagen. Sociale netwerken zijn er in functie van hun delen, van het geluk van hun individuele leden. Stre­ven naar het eigen geluk is een evidente en recht­matige doel­stelling en dat geluk wordt 'in' de (dagdagelijkse) wereld gesitueerd, in de alledaagsheid van die wereld en in de alle­daagse strevingen, behoeften en verlangens van individuen. Geluk, dat is welvaart en welzijn, fysieke en psychische gezondheid. De maatschappij wordt als het ware in therapeuti­sche termen beoordeeld, naar de mate waarin zij haar leden welbe­hagen en een ‘goed gevoel’ kan schenken en daarbij treden microsociale net­werken en peer-groups op de voorgrond. Het is bij vrienden, partners, kinderen, in de huiselijke sfeer dat men het geluk zoekt en gerealiseerd wenst te zien. Het is in de ontspanning, de zorg om het eigen lichaam en de bevrediging van lichamelij­ke behoeften, het uitgaansle­ven en in de affecten, emoties en communicaties die men daaromheen ontwikkelt dat men zijn zich goed voelende 'zelf' situeert. 
Het expressief individualisme centreert zich rond een cultus van het zelf, soms met narcistische kentrek­ken, en is gesi­tueerd in het hier en nu. Waardeperspec­tie­ven zijn er imma­nent, niet transcendent en ethiek wordt in grote mate gedacht in esthetiserende termen betreffende zelf­ontwikke­ling, eerder dan in politieke termen betreffende rechtvaardig­heid.   Dit expressieve individualisme, dat in onze cultuur reeds haar wortels heeft in de romantiek en het ‘romantische levensgevoel’, stelt individuele verlangens centraal en maakt hierdoor dit individu ook bijzonder kwetsbaar voor eigen falen, eigen eenzaamheid, eigen nietigheid en eigen machteloosheid. Het individu dat slechts in zichzelf het waardevolle kan vinden, dreigt makkelijk ten onder te gaan aan de weerslag van het besef van de eigen eindigheid en beperkt­heid. Het expressief individualisme vereist immers naast een streven naar zelfrealisatie ook een voortdurende zelfbevraging, een onderzoek van het 'wie ben ik ?' Dat kan een bijzonder pijnlijke speurtocht worden. De cultus van het zelf, waarin de spiegel van de ander nimmer afwezig is, verzet zich tegen referenties naar gedeelde sociale en culturele praktijken, waar het zelf als een ongebonden monade wordt gezien, die zich maar ‘waar maken’ moet tegenover de anderen. 
(b) De cultuur van het consumentisme sluit hier nauw bij aan; het menselijk geluk wordt in sterke mate in verband gebracht met de mateloze bevrediging van zoveel mogelijk behoeften en preferenties door middel van het consumeren van goederen die op de markt worden aangeboden. Het individu is een vat vol begeerten die 'gelaafd' dienen te worden en geluk is een kwestie van mogelijkheden om zoveel mogelijk behoeften te kunnen beant­woorden met gepaste consumptieartikelen, om zoveel mogelijk stimuli van gepaste responsen te voorzien. Consumeren wordt een levensstijl op zich die al lang niet meer is gericht op de 'gebruiks'waarde van goederen, maar waarin vooral hun symboli­sche waarde centraal staat en die verwijst naar status­kenmer­ken, naar het 'kunnen' consumeren van precies die speci­fieke goederen. Op die consumptief ingevulde notie van geluk d­rijft natuurlijk ook de wereld van de reclame en de marketingin­dustrie, die tegelijk bijdraagt tot het steeds verder en dieper 'verkennen' en 'aanboren' van steeds weer andere stre­vingen.
Het consumentisme heeft ook de jeugd in de ban. Verte­ren is een wezenlijk bestanddeel van haar leefwijze, of het nu gaat om (specifieke) kledij, cd's, video’s, DVD’s, cassetten, compu­terspellen, moto-accessoires, schoonheidsproducten, pos­ters, alcohol of drugs. Tijd besteden is geld besteden. Hoe kan het anders?
Ook nog in een andere zin wordt de relatie tussen 'jong zijn' en 'consumeren' versterkt. Is immers de boodschap aan de ouderen niet dat zij via consumptie - van schoonheidsproduc­ten, voedingswaren of kledij - voor eeuwig jong kunnen blij­ven? Draait de dominerende schoonheidsmythe niet omheen een jeugdig - maagdelijk - icoon? Is het niet juist door ons consumptief gedrag dat dergelijk icoon voor iedereen kennelijk binnen handbereik ligt ?

De keerzijde van dergelijke consumeristische opvatting van geluk ligt voor de hand; gebrek aan consumptieve mogelijkheden leidt onvermijdelijk tot frustratie, tot achteruit­stelling, tot isolatie en uitsluiting. Zij inspireert wederrechtelijk handelen. Is de boodschap van de reclame immers niet dat consumptieve goederen voor iedereen binnen handbereik (dienen te) liggen? In de imaginaire wereld van consumptieve over­vloed, van alomtegen­woordige consumptieve prikkels en van verborgen verleiders is het niet verwonderlijk dat jongeren zich laten meeslepen door modes en trends. Door het verwerven van consump­tiegoederen kunnen zij de indruk krijgen toch een stukje macht te heroveren over de wereld en de eigen bestaans­voorwaarden.

(c) Processen van ontkerkelijking, ontzuiling en secula­risering hebben niet, zoals velen dachten, een ver­spreiding met zich gebracht van een humanistische ingesteld­heid, waarin op grond van wereldlijke referentiekaders indivi­duen als autonome wezens (zelf)verantwoordelijkheid opnamen. Zij blijken vooral te hebben geleid tot een toename van het aantal 'normloos en ongebonden' individuen die geen enkel moreel referentieka­der buiten hun eigen belangen, strevingen, ambities en frustraties meer erkennen, of die slechts spora­disch en 'à la carte' zekere levensbeschouwelijke voorkeuren tot de hunne maken. Deze groep is recent in de belangstelling komen te staan omdat levensbeschouwelijke onverschilligheid blijkbaar in sterke mate correleert met 'antipolitiek' of 'extreem-rechts' stemgedrag. Die groep erkent niet alleen geen enkel gezag buiten de eigen belan­gen(perceptie), maar stelt bovendien eender welke morele grens in vraag die botst met het eigen belangenperspectief. Het is hierbij volstrekt verkeerd die onverschilligen te situeren in de categorie van de ambitieuze, 'frei schwebende' yuppie-achtige strebers. Integendeel; de onverschilligen komen dis­proportioneel meer uit groepen met precaire arbeidsstatuten, onvoorspelbare uurroosters, onregelmatige werktijden en lage opleidingen. Hun sterk materialistische levensvisie is als het ware de reflectie van de onverschillige manier waarop in hun steeds wisselend werkmilieu met hen wordt omgesprongen.

Desinteresse voor levensbeschouwelijke overtuigingen gaat gepaard met desinte­resse voor de kwalitatieve dimensies van het bestaan en met geringe waardering voor het gemeenschapsle­ven. Het 'eigen ik eerst' herkent zich blijk­baar makke­lijk in het 'eigen volk eerst'. Jongeren verliezen als het ware hun morele schroom om alles wat hen als hinder­lijk voor­komt af te wijzen en te bestrijden. Het zou me geens­zins verbazen dat dergelijke attitudes niet alleen correleren met hooliga­nisme, vandalisme, je m'en foutisme en kleine straatcrimi­naliteit, maar tevens zijn gekop­peld aan een levensconditie die weinig mogelijkheden aanreikt tot zelfcon­trole, planning, solidari­teit en maat­schappelijke zekerheid. Zij weerspiegelen als het ware de levensconditie van de 'flexibele werknemer' , die tot louter object is geworden van telkens weer nieuwe werkgevers en telkens weer nieuwe arbeids­omstandigheden waar­over hij iedere controle of zeggenschap ontbeert. Blijk­baar is deze maatschap­pij niet in staat om grote groepen jongeren een inspirerend, emancipato­risch én solidair perspec­tief aan te reiken en worden zij daardoor aangetrokken door gemakkelijke zwart/wit en vriend/­vijand beelden, zonder alge­mene ideologi­sche kaders. Deze ontwikkeling wordt mede gevoed door de ervaring dat heersende groepen - ook vakbonden en socialistische middens - hen afge­schreven hebben en hen geen ruimte kunnen (of willen) bieden in hun sociale netwerken.

3. Jeugd over de schreef

Vanuit die drie perspectieven kan ook enig licht worden gewor­pen op de plaats van normovertredend gedrag bij jongeren.

Consumeren, zo wordt ons via alle media meegedeeld, bepaalt onze ‘raison d’être’, de zijnsvraag is in onze cultuur herleid tot een nuttigheidsvraag. Het vergt uiteraard ook de middelen om zich al die consumptiegoederen met al hun geluksbeloften aan te schaffen. Waar de legitieme middelen’ onvoldoende of gewoon afwezig zijn, is de verleiding groot om over te gaan op illegitieme manieren om zich die zo noodzakelijk geachte goederen aan te schaffen. ‘Vrije tijd’ is immers consumptietijd: niet kunnen consumeren wordt als een vorm van onvrijheid opgevat en de idee van ‘postponed gratification’ spreekt weinig jongeren nog aan in een tijdsgeest waarin de toekomst een fundamenteel onzeker gegeven is.

De openbare ruimte wordt niet meer als een ‘sociale ruimte’ gepercipieerd, maar als een instrumentele ruimte, zodat daar nog weinig sociale codes gelden die tot handelingscontrole inspireren. Dat geldt voor chauffeurs net zo goed als voor jongeren: de openbare ruimte is een a-morele ruimte.

De invloed van de ‘peer group’ is voor jongeren van centraal belang, want juist omwille van hun relatieve schaarste hechten jongeren enorm veel belang aan door hen ‘gekozen’ relatieverbanden. Daar komt nog bij dat velen in hun gezin nog nauwelijks ‘ankers’ terugvinden, het weze omwille van de flexibilisering van de arbeidstijden van de ouders, het weze omdat het gaat om uiterst kwetsbare één-ouder en/of één-kind gezinnen of nieuw samengestelde gezinnen.

Onze kennismaatschappij heeft jongeren, die vroeger hun bestaan konden uitbouwen via handenarbeid tot ‘laaggeschoolden’ gereduceerd. Bevorderlijk voor hun zelfbeeld is dat zeker niet, want het houdt de boodschap van lage toekomstverwachtingen in. Daar komt nog bij dat uitgerekend deze groep jongeren, die objectief het meest bij een ‘collectieve identiteit’ te winnen hebben, vandaag het sterkst door een utilitair individualisme worden bevangen: ‘je moet niet teveel op de anderen rekenen’, ‘ik zal het zelf wel moeten klaren’, ‘deze samenleving is de mijne niet’.

Schoolmoeheid, lusteloosheid, melancholie, overmatig drug- of alcoholgebruik, pestgedrag, stress, agressie jegens leerkrachten, winkeldiefstallen, het zijn evenzovele uitdrukkingen van maatschappelijke en existentiële desoriëntatie, en vooral van sociale uitsluiting. Ieder beleid op preventief, curatief en repressief vlak moet van die – vermeende of reële – uitsluitingservaring vertrekken en dat kan enkel door het ontwikkelen van initiatieven die hen de ervaring geven dat ze er wel degelijk ‘bij horen’. Wie jongeren die zich als uitgeslotenen ervaren alleen maar ‘opsluit’, bevestigt hiermee enkel hun zelfbeeld en dat van de maatschappij.

Dat zal geen eenvoudige klus zijn want deze postmoderne samenleving produceert voortdurend nieuwe uitsluitingsmechanismen: op het gebied van de consumptie, op het gebied van de kennis, op het gebied van de werkgelegenheid. En die mechanismen produceren op hun beurt weer ervaringen van machteloosheid, van het verlies van greep op de eigen levensomstandigheden. Dat is uiteraard het geval voor tal van allochtone jongeren, maar ook veel autochtone jongeren dreigen in een spiraal van achteruitstelling terecht te komen, waarbij

de stap naar crimineel gedrag als minder problematisch wordt ervaren, gezien de samenleving zélf geen aantrekkelijke perspectieven weet aan te bieden. Het is beslist geen toeval dat de meest welvarende en individualistische landen van de wereld niet alleen geconfronteerd worden met de hoogste suïcidecijfers bij jongeren, maar ook met de hoogste graad aan jeugddelinquentie, want de geluksbelofte die de welvaartstaat en haar media uitstraalt, blijft voor een aanzienlijke groep onbereikbaar.

Jeugddelinquent gedrag is voor veel jongeren een manier om de aandacht te trekken van het (justitieel) welzijnswerk, straathoekwerk, justitie, want dan wordt er kennelijk wel rekening met hen gehouden. Men mag deze jongeren niet te makkelijk als afgeschreven benaderen, maar evenmin mag men ze als ‘onverantwoordelijken’ bejegenen, want jongeren zijn heden ten dage veel sterker in de ‘volwassenenwereld’ met zijn waarden en normen geïntegreerd dan vroeger. In die zin moet jongeren een perspectief worden geboden, het weze via het jeugdbeschermingsrecht, het herstelrecht, heropvoedingsprogramma’s of alternatieve sancties.

Is er voor voldoende jongeren wel een duurzame studie- werk- en gezinssituatie voorhan­den? Is er buiten de context van de vrije tijd nog wel een maatschappelijk referentiekader aanwezig? Die vraag is gericht naar een ganse samenleving die jongeren vaak al te snel afschrijft als ‘nutteloos’ (‘niet-inzetbaar’) of in afstompende en steeds onzeker blijvende arbeidscondities opsluit. Het is die globale context die uiteindelijk een beslissende invloed uitoefent op de plaats die waarden en normen in het ganse leven van jongeren zal innemen. Zolang de maatschappij niet met meer aantrekkelijke perspectieven en meer overzichtelijke samenlevingsverbanden voor sommige categorieën (laaggeschoolde) jongeren op de proppen komt, getuigt een loutere focus op hun 'decadente' uitgaansleven en ‘delinquent’ gedrag van misplaatst, maar ook van nutteloos mora­lisme. Een samenleving die niet in staat is om àl haar burgers zinvol te laten participeren aan het maatschappelijk gebeuren is een samenleving die fundamenteel tekortschiet, omdat ze haar samenlevingsbelofte niet kan waarmaken.

Adolescenten bevinden zich bij uitstek in een ‘metafysische levensfase’, waarin ze niet te beroerd zijn om grondig over de ‘moeder, waarom leven wij’- vraag na te denken. Daaraan wordt veel te weinig aandacht besteed in opvoeding en onderwijs, met als gevolg dat jongeren ofwel spoorloos of ankerloos een weg moeten weten te vinden, ofwel zich volledig door de wereld van commercie en consumptie laten absorberen. Velen beschouwen dergelijke gesprekken als overbodig of als net iets te beangstigend, omdat de antwoorden vaak haaks blijken te staan op het leven dat ze (zich laten) leiden. Ieder initiatief om jongeren actief te betrekken bij gesprekken over fundamentele levensvragen, waarop per definitie geen pasklare ‘fast food’-antwoorden bestaan, verdient daarom ook alle steun. Dat geldt overigens niet alleen voor jongeren, want indien er één behoefte is waarover alle leeftijdsgroepen klagen dat ze onvoldoende wordt ingelost in deze wereld van massale telecommunicatiesystemen, dan is het wel: een goed gesprek. En daarmee begint iedere vorm van wederzijdse erkenning en van wederzijds begrip.

Koen Raes