Kleine filosofie van de living

Dieter Lesage

Filosofie van de living / Living 2006

Ooit was er een tijd dat er in de living niet of nauwelijks geleefd werd. In de living werden heel af en toe gasten plechtig ontvangen, en werden de doden even plechtig opgebaard. En in de korte tijdsspanne tussen overlijden en begrafenis werden in de living gasten ontvangen die er de doden plechtig een laatste groet brachten.

Ooit was er een tijd dat men als dode langer in zijn living lag dan men dat ooit als levende had gedaan. De living heette toen nog de ‘beste kamer’ en haar Engelse naam kreeg ze pas toen ook de televisie er haar intrede deed. Het moet ongeveer sinds de intrede van de televisie in de ‘beste kamer’ zijn dat we onze doden niet langer in de ‘beste kamer’ opbaren. De doden werden verbannen naar het mortuarium. Alsof het van weinig respect voor de televisie zou getuigen om er een lijk langs te leggen.

Ooit moet men beginnen denken zijn dat het toch ‘absurd’ was, zoniet ‘Godgeklaagd’, dat men amper de ‘beste kamer’ van zijn huis betrad. Dan heeft men zo’n mooie kamer en men komt er nooit. Men moest en zou leven brengen in de ‘beste kamer’. De beste kamer mocht best een ‘living’ worden.

Net op het moment dat de ‘beste kamer’ stormenderhand veroverd werd, deed ook de televisie haar intrede in het huis. Of werd de ‘beste kamer’ alleen veroverd omdat het daar was dat de televisie terecht was gekomen? Waar moest men dat ding ook zetten? Het is pas veel later dat men heeft ontdekt dat zich hier geen hartverscheurende keuze opdringt, en dat men eenvoudigweg in elke kamer van het huis een televisie kan zetten.

De intrede van de televisie in de living, net op het ogenblik dat men zichzelf ervan overtuigd had dat men in de living ook kon leven, heeft in sterke mate de modaliteit van het leven in de living bepaald. Leven werd er: gezellig samen naar televisie kijken. Vanzelfsprekend gebeurde dat niet steeds zonder enige existentiële bevraging. In de living stelt onze woonkamerhamlet zich deze ene prangende vraag: “On or off? That’s the question”.

De televisie werd een relatief goedkope kinderoppas. Televisie hield de kinderen van de gevaarlijke straat en liet hen op tijd gaan slapen, “want nu is het voor de grote mensen”.

Alle hippe bars in Berlijn spelen ‘living’. De living heeft als ‘dispositief’ van de privacy thans ook de publieke sfeer veroverd. Sofa’s, salontafeltjes, lampenkappen en jawel, retro-televisietoestellen: horeca-uitbaters zoeken hun cafémeubilair bij oude tantes die bij hun verhuis naar de serviceflat graag van die brol afwillen.

Op het ogenblik dat het besef groeit dat leven wel wat anders is dan gezellig samen naar televisie kijken, loopt de living weer leeg.

Als kerken kunnen leeglopen, dan ook livings. De living zou zich wel eens kunnen vergissen in de blijvende aantrekkingskracht van het televangelie.

We komen allang niet meer ‘naar beneden’ om gezellig samen televisie te kijken. We zitten achter onze computer, we surfen ons te pletter, terwijl de televisie ‘daar beneden’ hopeloos amechtig probeert ‘interactief’ te zijn. De laatste stuiptrekkingen van de televisie, vooraleer zij definitief naar het mediummortuarium wordt afgevoerd, bestaan hierin dat zij zich voordoet als een computer.

De living is reeds hier en daar opnieuw een ‘beste kamer’ geworden. Het dode medium televisie staat er plechtig opgebaard.

De living is, als living, niet bedacht op werk, op concentratie, maar op ontspanning, op verstrooiing. De idee is dat werken elders gebeurt, buitenshuis. In de fordistische filosofie van de living komt men thuis om zich in zijn zetel neer te ploffen en televisie te kijken.

Met het nieuwe paradigma van de thuisarbeid staat de living als ruimte van het gezellige nietsdoen onder druk. Dat was weliswaar al zo toen ik nog een kind was. De gezellige living, waar ik samen met broertjes en zusje televisie keek en televisieseries naspeelde, transformeerde zich, eens we waren gaan slapen, tot bureau. Maar omdat en voor zover er thans minder broertjes en zusjes rondlopen, hoeft die transformatie van de living tot werkruimte zich niet langer te beperken tot de avond.

Men wordt niet verondersteld zich te kunnen concentreren. Wie zich van de anderen wil afzonderen om te kunnen werken is asociaal. De categorische imperatief van de gezelligheid wordt doorgetrokken tot in het kantoor. Het ‘landschap’ is het kantoor dat living is geworden.

Men kan zich in een kantoorlandschap net zo goed concentreren als voor de televisie. Niet dus.

Zich verzetten tegen het kantoorlandschap. Voor iedereen een eigen kantoor. Dan kan je je eigen posters hangen. Of helemaal geen posters hangen. Dan hoef je in elk geval niet de hele dag naar die domme poster van je collega zitten kijken. En dan moet je vooral niet de hele dag op je collega zitten kijken.

Een zakelijke afspraak met iemand die je daarvoor in een kantoorlandschap ontvangt is net zo aangenaam als een privé-bezoek in een living waar nog twee, drie andere mensen aanwezig zijn, maar je bezoek volstrekt negeren.

Gezelligheidsdispositieven als de living en het kantoorlandschap zijn vaak vreselijk ongezellig.

Bart Verschaffel heeft gelijk als hij stelt dat een huis een (aaneen)schakeling van kamers moet zijni. Elk architecturaal ‘programma’ dat ook nog eens het gezellige samenzijn van de bewoners van dat huis wil orkestreren, riskeert alleen geforceerde gezelligheid — en dus ongezelligheid — voor te brengen.

Vaak was het op een privé-feestje nooit zo leuk en gezellig als op de gang. De living is de plek waar men op een privé-feestje best vandaan blijft. Daar wordt immers vreselijke muziek gedraaid en is de drank op.

Meer dan een gang die de ene kamer met de andere verbindt heeft men als ontmoetingsplaats in een huis niet nodig.

Dit is (ook) een oproep tot verzet tegen de living.

Zich verzetten tegen de living in naam van het leven dat productief moet kunnen zijn en dat door een dispositief als de living buiten de arbeidsplek tot improductieve ‘ontspanning’ wordt gereduceerd.

Het enige wat ik wil is een kamer waar men mij met rust laat. Of waar alleen de Ander het niet kan laten mij te storen.

In één van zijn Talmoedlezingen hekelt Emmanuel Levinas het café. “Le café, c’est la maison ouverte, de plainpied avec la rue, lieu de la société facile, sans responsabilité réciproque. On entre sans nécessité. On s’assied sans fatigue, on boit sans soif. Histoire de ne pas rester dans sa chambre. Vous savez que tous les malheurs viennent de l’incapacité où nous sommes de rester seuls dans notre chambre. Le café n’est pas un lieu, c’est un non-lieu pour une non-société, pour une société sans solidarité, sans lendemain, sans engagement, sans intérêts communs, société du jeu. Le café, maison de jeux, est le point par où pénètre le jeu dans la vie et la dissout. Société sans hier et sans lendemain, sans responsabilité, sans sérieux — distraction, dissolution”ii.

Het vreemde is dat de filosoof van de ontmoeting en de alteriteit ons lijkt aan te bevelen om thuis te blijven. Alsof het café niet ook de plek is of kan zijn van de ontmoeting, van de bedelende hand, van de confrontatie met de Ander en het appèl dat van die Ander uitgaat. Niet alleen ‘in de ruimte’, maar ook in het café is er geen protocol. Iedereen kan in principe door iedereen worden aangesproken, zoals politici, maar ook journalisten, kunstenaars en filosofen met een mening maar al te goed weten. In het café moeten we ons voortdurend verantwoorden. “Wat gij daar over de living hebt geschreven, daarmee ga ik toch niet akkoord”. En we zijn de Ander dankbaar indien hij of zij ons niet voortdurend om verantwoording vraagt, maar ons ook nog even met rust wil laten. In het café zijn we meer dan waar ook overgeleverd aan de Ander.

In zijn diatribe tegen het café zinspeelt de joodse filosoof Emmanuel Levinas op een bekend fragment uit de Pensées van de christelijke filosoof Blaise Pascal dat hij volledig lijkt te onderschrijven. Pascal maakt daarin volgende bedenking: “Quand je m’y suis mis quelquefois, à considérer les diverses agitations des hommes, et les périls et les peines où ils s’exposent, dans la cour, dans la guerre, d’où naissent tant de querelles, de passions, d’entreprises hardies et souvent mauvaises, etc., j’ai découvert que tout le malheur des hommes vient d’une seule chose, qui est de ne savoir pas demeurer en repos, dans une chambre”iii.

Elk filosoferen over ruimtes, of het nu om private dan wel publieke ruimtes gaat, veronderstelt een bepaalde filosofie van het leven. Een filosofie van de living veronderstelt noodzakelijk ook een filosofie van het leven.

Pascal vervolgt: “Un homme qui a assez de bien pour vivre, s’il savait demeurer chez soi avec plaisir, n’en sortirait pas pour aller sur la mer ou au siège d’une place. On n’achètera une charge à l’armée si cher, que parce qu’on trouverait insupportable de ne bouger de la ville; et on ne recherche les conversations et les divertissements des jeux que parce qu’on ne peut demeurer chez soi avec plaisir”iv.

Het plezier van het thuisblijven is relatief. ‘Cocooning’ behoort tot het vocabularium van mensen die (nog) niet thuis werken. ‘Cocooning’ behoort niet tot het vocabularium van mensen die thuis werken en van hun huis hun kantoor of hun atelier hebben gemaakt. Men ‘cocoont’ nu eenmaal niet op kantoor of in het atelier.

Op het ogenblik dat men in de living is beginnen lezen, is literatuur een vorm van entertainment geworden. In mijn living zal men dan ook geen enkel boek vinden. Boeken horen niet thuis in de living. Lezen doe ik wel op mijn kamer.

Sommigen hebben gemeend dat het de vermaledijde televisie is die ervoor verantwoordelijk is dat men in een living niet kan lezen. Maar er is niets opgelost wanneer de living van een televisie gevrijwaard blijft. Dan moet het er al helemaal gezellig aan toegaan en moeten we bovendien die gezelligheid ook nog eens zelf produceren. Zonder televisie moeten de gezelschapsspelletjes uit de kast gehaald, of moet er gezellig gepraat worden. Zonder televisie is de living georganiseerd op een gerichtheid van de huisgenoten op elkaar. In de living wordt men verondersteld elkaar te entertainen. En zo komt men ook weer niet aan lezen toe.

Gezellig gezeten in de televisieloze living zit men te gniffelen om hetgeen men leest in een boek en men doet het opzettelijk om aan de ander de vraag te ontlokken wat er dan wel zo grappig is. In de living vertellen we elkaar over het boek dat we maar niet gelezen krijgen, omdat we er elkaar voortdurend over moeten vertellen.

In de loft is de hele woning ‘living’ geworden. Met als gevolg dat men in een loft hoegenaamd niets meer kan doen dat enige concentratie vergt.

Op het grondplan van de modale hedendaagse woning herkent men al gauw de living. Het is de grootste ruimte van de woning. De overige ruimtes van een modale woning zijn klein en hebben een precieze functie: keuken, badkamer, slaapkamer, ‘kind’.

De biopolitieke bemoeienissen van architecten en makelaars gaan vaak zover dat men op het grondplan van een koopwoning, als aanduiding van de functie van een van de kleinste ruimtes, ‘kind’ ziet staan. De functionalistische woning is een biopolitiek dispositief dat de ambitie heeft om ons leven tot in de diepste intimiteit ervan te organiseren.

Men hoeft zich vanzelfsprekend niet biopolitiek te laten intimideren en al helemaal niet door architecten en makelaars. Nogal wat ‘kinderkamers’ worden door kinderloze koppels of singles als werkkamer gebruikt.

Het werkende koppel van morgen heeft thuis twee werkkamers nodig. De ruimte die dat binnen de woning vergt moet worden veroverd op de ruimte die doorgaans aan de living wordt toebedeeld. De woonkeuken vervangt de living die overbodig is geworden.

De single in zijn of haar éénkamerflat heeft allang de living als zijn of haar werkkamer ingepalmd. Het is een manier om de living, die door haar buitensporige proporties de familiale gezelligheid van een kroost oproept, enigszins te kunnen uitstaan. Anders lijkt de living immers voortdurend de beschuldigende vraag te stellen waarom men geen kinderen heeft. Architectuur heeft zo haar moraliserende trekjes.

Er is een verband tussen de living en het kind. Ooit was er een living omdat er doorgaans minstens twee kinderen waren en er een ruimte moest zijn waar men minstens met vier samen gezellig niets kon doen.

Tegelijk met het dalen van de nataliteit taant ook de betekenis van de living.

Modale woningarchitectuur moet nog steeds loskomen van het idee dat ‘het gezin’ de typische bewonersformatie van een huis is. In mijn stad, zoals in vele andere metropolen, bestaat zowat de helft van de gezinnen uit één persoon. Hetgeen niet hoeft te betekenen dat de helft van deze stadsbewoners per se alleen wil wonen of woont.

Wanneer twee éénpersoonsgezinnen samen een eenkamerappartement betrekken, dan wordt de living door één van hen als kamer ingepalmd.

Gezinnen met kinderen in de stad: het is een interessante minderheid waaraan men wel eens een boek zou kunnen wijden.

Onze samenleving valt niet op te delen in autochtonen en allochtonen. Misschien is de breuklijn wel scherper tussen ouders en kinderlozen. Ouders zoeken andere ouders op, kinderlozen netwerken met andere kinderlozen. De cultuur van ouders is vaak zeer verschillend van de cultuur van kinderlozen. Vriendschappen worden in sterke mate bepaald door kinderen: sommigen vriendschappen tanen daardoor, andere ontstaan juist daardoor of worden (weer) sterker. En tegelijk maken ouders en kinderlozen elkaar voortdurend vriendschappelijk wijs dat ‘er niets hoeft te veranderen vanwege de kinderen’.

Leven is produceren, ook als er geen nieuw leven wordt geproduceerd.

Het huis is nog niet klaar voor de Copernicaanse revolutie in de arbeid. Werken doe je thuis, je ontspannen doe je buitenshuis. De living in de modale woning heeft geen andere toekomst dan als werkkamer te worden gerecycleerd.

De architecturale tendens om de living bij een open keuken te laten aansluiten is een volstrekt reactionaire ontwikkeling. De open keuken bevestigt immers alleen maar de living als de plek van het gezellige samenzijn van de bewoners van het huis.

Sommige livings zijn zo indrukwekkend ruim en theatraal dat ze erom lijken te smachten als publieke ruimte te worden gebruikt. Men zou er theater in kunnen spelen, of concerten in kunnen organiseren, of er een tentoonstelling kunnen inrichten. Hetgeen dan ook wel vaker gebeurt. De living als theaterzaal, als kunsthal, als concertzaal. Of alles tegelijk. De living als kunstenfestivalcentrum.

Wanneer een bewoner zijn living als kunstencentrum laat gebruiken, dan is dit vaak omdat hij of zij het wonen zelf tot kunst heeft verheven. Ook zonder dat er een voorstelling of concert plaatsvindt, is zijn of haar living ‘het bezoeken waard’. De living is dan zelf al als representatieve ruimte gedacht, als een ruimte die een bepaalde voorstelling van de bewoner oproept.

Terwijl de living graag kunstenfestivalcentrum speelt, speelt het kunstenfestivalcentrum graag... living. Tweedehandszeteltjes, tapijten en lampjes moeten de koele design van theater lobby’s doorbreken.

De televisie geeft zich niet zomaar gewonnen bij een tendens om de living door allerlei kunsten te laten inpalmen. Home theater is de televisie die zich dik maakt en de living als haar territorium verdedigt.

Home theater wordt vaak gezien als een oorlogsverklaring aan de (publieks)cinema. Een mens zou niet meer buiten moeten komen. Maar men zou het net zo goed als een oorlogsverklaring aan de (personal) computer kunnen zien. Home theater wil de living consolideren als de centrale plek van het gezamenlijk gezellig nietsdoen van de bewoners van het huis en daar heeft de pc niets te zoeken.

Het huis is het toneel van strijd tussen twee verschillende schermen: het computerscherm en het televisiescherm. Beide schermen pretenderen dat ze alles kunnen wat de ander kan. Je kan internetten op je televisie en je kan televisie kijken op je computer.

Wie in het fordisme is blijven steken, vindt dat een computer niet thuishoort in een living. Dat heeft veel te maken met het ‘persoonlijke’ van een computer. Wie achter een computerscherm zit, lijkt zich van anderen af te willen schermen. In de living als plaats van het gezellige samenzijn zou een pc dan ook niet op zijn plaats zijn. Wie daarentegen voor een televisiescherm zit, vraagt, eist haast dat we er gewoon bij komen zitten.

Indien de computer de strijd der schermen zou winnen, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat zij weliswaar de living weet in te palmen, maar niet zonder daar een prijs voor te betalen. De living van de toekomst ziet er dan misschien uit als een familieversie van een kantoorlandschap. Aan de grote gezinstafel in de living heeft elk lid van het gezin dan zijn eigen computer. De bitterballen, chips, pasteis, pretzels, feqqas, of chebakia worden gezellig doorgegeven, naargelang.

Naargelang waarvan? Naargelang de smaken van de bewoners, niet de origine. ‘Mohamed, mag ik nog effe de bitterballen?’ ‘Joop, waar zijn de feqqas gebleven?’ Er is volstrekt niets grappigs of ongewoons aan deze mogelijke uitspraken in mogelijke gezellige livings. Smaak en origine hangen minder nauw samen dan smaak en status.

Hoge plafonds verraden een bepaalde smaak, en die smaak verraadt een bepaalde status. Stel dat men merkt dat twee Nederlandse gezinnen van hoge plafonds houden, dan mag men daar niet meteen de conclusie uit trekken dat Nederlanders blijkbaar van hoge plafonds houden. Misschien delen die Nederlandse gezinnen alleen een gelijkaardige sociale status.

Een cultureel ‘herkenbaar’ interieur is kenmerkend voor een bepaalde sociale status. Een kosmopolitisch — en cultureel ondefinieerbaar — interieur is ook kenmerkend voor een bepaalde sociale status.

Wat in het ene interieur tekenen zijn van een bepaalde herkomst, zijn in het andere interieur herinneringen aan bepaalde omzwervingen. Zo kan een Marokkaanse waterpijp zowel een teken willen zijn van ‘het eigene’, als van ‘het vreemde’.

We weten nog niets over de bewoner van een huis wanneer we in zijn living een Marokkaanse waterpijp zien staan. Staat zij er omwille van de exotiek, de esthetiek, het gebruik, of staat zij er gewoon in de weg?

Het is volstrekt mogelijk dat het vermeend eigene als vreemd wordt ervaren en het vermeend vreemde als eigen.

Zolang de living als representatieve ruimte wordt begrepen, zolang een living ook moet dienen om er gasten te ontvangen, zullen de bewoners de living ook over zichzelf willen laten spreken. Tegelijk zien vele livings eruit als hotel lobby’s. Maar ook dat zegt iets over de bewoners.

Indien een woning door een gezin met kinderen wordt bewoond, dan zullen doorgaans niet alle bewoners de living over zichzelf kunnen laten spreken. Wat de living moet ‘voorstellen’ is doorgaans het voorrecht van de ouders, vaak zelfs van één van beide ouders.

Kindertekeningen hangen doorgaans in de keuken, niet in de living. In de living hangen ook vaak tekeningen, maar dan van echte kunstenaars. De distributie van tekeningen over verschillende ruimtes in het huis getuigt van een bepaalde filosofie van de representatie.

Aan de simpele handeling of het eenvoudige gebruik om een kindertekening niet in de living, maar in de keuken op te hangen, hangen allerlei filosofische vooronderstellingen vast. Maar we filosoferen pas wanneer we die vooronderstellingen expliciteren en ze bevragen.

Wat is dat — een living?

---

 iZie Bart Verschaffel, ‘Bad Dream Houses: de impasse in de woningarchitectuur’, De Witte Raaf, n° 116, juli-augustus 2005, pp. 2-3.

 iiEmmanuel Levinas, Du sacré au saint. Cinq nouvelles lectures talmudiques, Paris, Minuit, 1977, p. 41.

 iii Blaise Pascal, Pensées, n° 205 (édition Brunschvicg: n° 139), in: Idem, Oeuvres complètes, (Texte établi, présenté et annoté par Jacques Chevalier), Paris, Gallimard, 1954, pp. 1138-1139.

 ivIbid., p. 1139.