Mijmeringen van O

Jan Knops en Richard Anthone

Mijmeringen van O / Unvarnished 2004

Gehouden op 20 november 2003 in de gesloten afdeling van de Gemeenschapsinstelling de Zande in Ruiselede.

Tot dat ik in de gesloten afdeling van de Gemeenschapsinstelling De Zande in Ruiselede terecht ben gekomen, ging ik ieder nacht weg met mijn beste vriend, altijd ’s nachts. We deden alles op de fiets of met de brommer. In de avond en in de nacht gingen wij cafeetjes bezoeken.

Wij hebben elkaar leren kennen in het zwembad. Ik was zelf nog maar elf jaar en hij was dertien. Hij zei dat hij nogal graag uitging en ik zei ik ga ook wel graag een keer weg. Per toeval dronken wij hetzelfde bier. We hebben samen gedronken en ik heb hem een keer getrakteerd. Hij zei als je goesting hebt, kom mij een keer halen. Hij had al uitgelegd waar hij woonde. Diezelfde avond ben ik bij hem geweest.

Hij heeft mij geleerd en getoond hoe dat alles in elkaar zit en hoe dat alles moet. We gingen veel weg met zijn neef van tweeëndertig jaar. Waar we normaal niet binnen mochten als we alleen geweest waren, konden wel binnen met die gast die volwassen was. Zo zijn we uiteindelijk zelfstandig zonder zijn neef beginnen weggaan.

Wij hebben een reputatie opgebouwd van losbollen, de laatste levensgenieters. Iedere nacht weg en toch iedere morgen op tijd op school. We gingen weg van 24.30 uur in de nacht tot 05.30 uur in de morgen. Om 05.30 uur kropen wij in ons bed omdat zijn vader en mijn moeder om 06.00 uur wakker werden. En om 08.00 uur vertrokken wij weer naar school. Die momenten ’s nachts voel je je echt vrij.

Je bent samen, je bent aan het fietsen en niemand langs de baan, geen auto, geen fietsen alleen wij. De wereld is van ons. Wij zijn hier de baas, wij zijn de koning en de president. Niemand kan ons zeer doen, niemand kan ons deren, niemand kan ons in de weg staan. De wereld is van ons.

Er zijn ook een paar momenten geweest dat één van de twee thuis werd buiten gegooid. Maar dat zijn bevliegingen van ouders. Ik kwam altijd te weten wanneer hij en hij kwam altijd te weten wanneer ik buiten gesmeten werd. Steeds vonden wij elkaar. Het was precies of dat wij naar elkaar toegetrokken werden. Op een keer was ik buiten gesmeten, ik was weggelopen en ik zat toch wel een goeie tien kilometer van bij mij thuis en A. heeft mij toch gevonden. Hij was op zijn fiets overal gaan zoeken, zoeken, zoeken. 0p alle plaatsen en plekken waar wij ’s nachts uitgingen. Uiteindelijk heeft hij mij gevonden. En dan bleef hij bij mij. Soms hebben wij twee weken aan een stuk geleefd als clochards. We hadden wel geld maar sliepen langs de straat en in scholen. We sliepen onder het afdak in school, een keer achter de bibliotheek, een keer onder een camion die al een half jaar stond aan het zwembad, een keer in een kraakpandje. Dan voel je je eigelijk vrij.

Je kunt je ook vrij voelen als er mensen bij zijn. Bijvoorbeeld vorig weekend ben ik op weekend geweest. Ik was hem tegengekomen maar hij moest werken tot twee uur. Na zijn werk zijn we zijn auto gaan halen en hebben wij een kroegentocht gemaakt. Er was nog veel volk maar wij passen ons altijd aan, aan de plaats. Wij zijn samen en iedereen viert mee. Het is een beetje een ander gevoel maar het geeft wel een gevoel van vrijheid. Iedereen danst en zingt luidkeels mee uit volle borst. We drinken pinten en iedereen kent iedereen.

Maar toch heb ik liever als we alleen zijn. Een cafeetje binnen gaan waar niemand zit alleen de barman die de glazen aan het wassen is en de zachte muziek van een Vlaamse schlager. We hebben een café waar we zeker iedere nacht naar toegaan. Dat is een cafeetje op een plaats waar normaal nooit een café zou staan. Tussen drie boerderijen ligt zo’n boerencafeetje. Er staat nog zo’n oude muziekbak, een juke box. Wij zijn liefhebbers van Frans Bouwer de Nederlandse slagerzanger. Wij kennen alle liedjes van buiten. Samen proberen wij de boodschap achter de liedjes te zoeken. Dat is iets wat wij iedere nacht doen. En zo wisselen wij meningen uit. Iedere nacht, iedere nacht zitten wij dan in Den Draver. Den Draver noemt dat café.

Op een avond in het café stelde A. mij de vraag wat zou je doen als één van ons tweeën overlijdt. Hij antwoordde ik zou mij samen met jou laten begraven. Ik zei is dat verstandig? Waarop hij aan mij vroeg wat zou jij doen? Zou jij bij mij in het graf springen of niet? Ik zei nee ik zou niet bij je in het graf springen. Ik zou wel samen met je willen sterven maar ik zou niet samen in één graf willen liggen. En daar is de vraag uit voortgekomen, zouden wij kunnen leven zonder elkaar? Ik zei ja we zouden kunnen leven zonder elkaar maar niet op deze manier. Het zou een saai leven zijn, gekluisterd aan regels. Een vraag die hij mij vervolgens gesteld heeft en waarop ik niet juist kon antwoorden was wat is vriendschap? Ik dacht en zei tegen hem dat is hetzelfde als liefde. Toen vroeg hij mij wat is liefde?